**1..** Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op een uitkering en/of tot een hoger bedrag recht heeft op bijzondere bijstand.
**2..** Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het in de periode voorafgaande aan de bijstandsverlening:
door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.
**3..** De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:
100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een periode van korter dan 6 maanden;
100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een periode van langer dan 6 maanden.
**4..** In afwijking van het derde lid wordt de verlaging – bij toepassing van artikel 7, tweede lid, onder b. – vastgesteld op 100% van de verleende bijzondere bijstand voor die kosten die een gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
**5..** De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder a., overeenkomstig het gestelde in het derde lid sub a. en b. vastgesteld;
De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder b., overeenkomstig het gestelde in het derde lid sub a. vastgesteld.
**6..** De afstemming op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de PW.
Hoofdstuk 4.
Artikel 15.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022