Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.

1. Locatietoets

Onderdeel van Nota prostitutiebeleid

Eerste criterium is dat vestiging in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het bestemmingsplan dient te zijn. Het schenken van alcohol in de seksinrichting is alleen mogelijk indien de bestemmingsvoorschriften de mogelijkheid van horeca bieden. In de APV wordt expliciet opgenomen dat vergunning alleen verleend kan worden als het bestemmingsplan vestiging toelaat. Juridisch is een dergelijke bepaling mogelijk (ARRS 24 maart 1997 (APV Amsterdam). Met het oog op bescherming van het belang van de openbare orde c.q. voorkoming van aantasting van het woon- en leefklimaat, zoals hiervoor nader toegelicht, dient voorts nog aan een aantal specifieke op de A.P.V. gebaseerde vestigingscriteria te worden voldaan. Uitgangspunt daarbij is dat mogelijke overlast voor de woonfunctie zo veel mogelijk wordt voorkomen. Duidelijk is dat de vestiging in woonstraten niet toelaatbaar is, vanwege de mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarbij spelen twee aspecten: de verkeersfunctie van de straat en de gebruiksfunctie van de bebouwing. Ten aanzien van de gebruiksfunctie van de bebouwing is van belang dat de woonfunctie qua beleving ondergeschikt is aan de bedrijfsfunctie van de directe omgeving. Daarbij kan een gebied van 100 m aan weerszijden (bij hoeken meerdere zijden) en aan de overzijde van een voorgenomen vestiging worden beschouwd. De meest direct betrokken buurpanden zullen de grootste overlast ervaren. Dit zouden dan bij voorkeur ook geen woonpanden maar feitelijke bedrijfspanden moeten zijn (eventueel wel met bovenwoningen). Voor de verder gelegen bebouwing binnen 100 m van een voorgenomen vestiging dient ook sprake te zijn van een overwegend bedrijfsmatig karakter op de begane grond. Bovengenoemde locatiecriteria moeten in zijn algemeenheid voldoende zijn om de mogelijke overlast van prostitutie-inrichtingen voor het woon- en leefklimaat te minimaliseren. Dit kan als volgt worden geformuleerd: Geen vestiging van seksinrichtingen in of aan woonstraten. Onder het begrip woonstraten wordt in dit verband verstaan: voet- en rijstraten, wegen, lanen, kaden, hofjes, woonerven en pleinen waaraan bebouwing is gelegen die uitsluitend of in belangrijke mate dient ter bewoning c.q. een woonfunctie heeft. Geen vestiging van seksinrichtingen in andere straten als bedoeld onder l., indien één of meer panden binnen een straal van 100 meter van het pand waarvoor vergunning wordt aangevraagd op de begane grond een woonfunctie heeft. Vestiging is voorts niet mogelijk binnen een straal van 250 meter van een andere seksinrichting, zulks om concentratie van dat soort inrichtingen te voorkomen. Vestiging is niet mogelijk indien deze binnen een straal van 250 meter van een onderwijsinrichting c.q. school is gelegen. Geen vestiging van seksinrichtingen binnen een straal van 250 meter van een wijken/of jeugd- en jongerencentrum. Als meetpunt in de onder 3 en 4 en 5 bedoelde gevallen geldt de afstand tussen de toegangsdeur van de prostitutie-inrichting en de plaats waar de bezoekers van de betreffende instelling (wijkcentrum/school/andere prostitutie-inrichting) de openbare weg betreden. Wanneer er sprake is van meerdere toegangen tot de openbare weg geldt als meetpunt die toegang die het dichtst gelegen is bij de prostitutie-inrichting. Mutatis mutandis geldt dat als de prostitutie-inrichting meerdere toegangen heeft ook hier gemeten wordt vanaf die toegang die het dichtst bij de school, etc. is gelegen. Voor alle duidelijkheid: er moet dus zowel voldaan worden aan de geldende bepalingen in een toepasselijk bestemmingsplan als aan de hierboven genoemde openbare orde en woon-en leefklimaat toets. Dit dient steeds per pand getoetst te worden. Met andere woorden ook al wordt aan de openbare orde en woon-en leefklimaat criteria voldaan dan nog kan het bestemmingsplan vestiging uitsluiten en dient de aanvraag dus afgewezen te worden.

Rechtspraak bij dit artikel