Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1

ZORG VOOR HET ERFGOED

Onderdeel van Inspirerend Verleden Beleidsnota Cultureel Erfgoed Halderberge

De gemeente heeft op het gebied van de monumentenzorg een aantal wettelijke en een aantal minder expliciet omschreven taken en verantwoordelijkheden. Tot de eerste categorie behoren taken die voortvloeien uit de Monumentenwet 1988 (o.a. het verlenen van monumentenvergunning). Tot de tweede categorie behoort de zorgplicht die verwacht mag worden van een gemeentelijke overheid die haar verantwoordelijkheid in dezen kent én neemt, maar waarbinnen de gemeente heel duidelijk eigen prioriteiten en accenten kan stellen. Monumententaak De monumentenzorg is de laatste jaren sterk in beweging. Er zijn tal van ontwikkelingen, zowel op landelijk, provinciaal en lokaal niveau. Wat betreft de gemeentelijke taak wijst alles in de richting van een verdergaande decentralisatie. In de op 25 juni 2001 gepresenteerde VNG-nota “Toekomst voor het Verleden” wordt een belangrijke aanpassing van het monumentenregime voorgestaan: gemeenten en monumenteigenaren moeten daarin de hoofdrol gaan spelen. Als uitgangspunten voor een nieuw monumentenregime vermeldt de VNG-nota verder: “Het nieuwe systeem moet klantvriendelijk zijn. De belangen van de klant, in casu de eigenaar, staan centraal en niet de regelgeving. Dit betekent concreet dat er één loket moet zijn waar een eigenaar terecht kan voor alle informatie en kennis omtrent het monument. Dit loket is zo dicht mogelijk bij de eigenaar gesitueerd en is logisch gezien “de gemeente”. Met “loket” dient in dit verband “de gemeente als organisatie” te worden verstaan. Met de wijziging van de Monumentenwet 1988 op 1 januari 2009 heeft de gemeente nog meer verantwoordelijkheid gekregen met betrekking tot het eigen erfgoed. Een belangrijk aspect hiervan is dat álle gemeenten zelf beslissen over de monumentenvergunningaanvragen voor rijksmonumenten die bij hen worden ingediend. Voorwaarde is wel dat alle gemeenten over een eigen monumentenverordening en monumentencommissie dienen te beschikken. Deze monumentencommissie dient deskundig en onafhankelijk te zijn. Volgens de norm van de RCE betekent dit dat tenminste de volgende disciplines in de monumentencommissie vertegenwoordigd dienen te zijn: cultuurhistorie, restauratiearchitectuur, bouw –en architectuurhistorie en stedenbouw (landschap). Monumentenverordening In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat de huidige monumentenverordening die in 2006 is vastgesteld voldoet aan de huidige regelgeving en ontwikkelingen. In 2008 heeft de VNG een model erfgoedverordening opgesteld waarin zowel de aanwijzing en bescherming van gebouwde gemeentelijke monumenten is geregeld als de aanwijzing en bescherming van de gemeentelijke archeologische monumenten. Met het opstellen van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid dient de huidige monumentenverordening op onderdelen te worden aangepast. Monumentencommissie Omdat gemeenten in het kader van de decentralisatie van het monumentenstelsel een belangrijke rol krijgen als het gaat om kwaliteitsborging van de monumentenzorg hecht het rijk een steeds grotere waarde aan een professionele en deskundige monumentencommissie. In 2008 heeft de Erfgoedinspectie een onderzoek uitgevoerd naar kwaliteit van gemeentelijke monumentencommissies. In het rapport Een goed advies is het halve werk- onderzoek naar monumentencommissies concludeert de Erfgoedinspectie dat de deskundigheid en professionaliteit bij een aanzienlijk deel van de commissies onvoldoende is en dat door het ontbreken van vastgestelde uitgangspunten en beoordelingscriteria de werkwijze voor burgers onvoldoende transparant is. Om gemeenten hierin tegemoet te komen en de kwaliteit van gemeentelijke monumentencommissies te stimuleren heeft de VNG in samenwerking met Federatie Welstand en de RCE in het najaar van 2009 de Handreiking Gemeentelijke Monumentencommissies opgesteld. In deze handreiking wordt bijvoorbeeld aanbevolen om te onderzoeken of de deskundigheid kan worden bevorderd door te werken met een geïntegreerde commissie voor welstand en monumenten. Tevens wordt aanbevolen om criteria op te stellen en toe te passen bij de beoordeling van adviesaanvragen. De monumentencommissie van Halderberge voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die gesteld zijn door de RCE. De commissie is onafhankelijk, de voorzitter is als externe lid van de commissie en naast kennis van cultuurhistorie en restauratiearchitectuur is er kennis aanwezig van archeologie, bouwhistorie en stedenbouw. In het kader van de invoering van de Wabo zal de werkwijze van de monumentencommissie worden geëvalueerd (zie volgende paragraaf). In dit kader zou bezien kunnen worden of de werkwijze van de commissie verder geprofessionaliseerd kan worden door het opstellen van uitgangspunten en beoordelingscriteria. Wabo Per 1 oktober 2010 is de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) van kracht. Door de invoering van de Wabo wordt met de omgevingsvergunning het aantal vergunningsprocedures sterk verkleind. De omgevingsvergunning is namelijk één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Dit betekent minder administratieve lasten voor bedrijven en burgers, betere dienstverlening door de overheid aan bedrijven en burgers, kortere procedures en geen tegenstrijdige voorschriften. De verwachting is dat de termijn voor vergunningaanvragen voor eenvoudige plannen zal worden teruggebracht naar acht weken. Dit heeft als consequentie dat er frequenter dan nu het geval is advies gevraagd zal worden aan de monumentencommissie. Op dit moment wordt bezien of de huidige structuur en werkwijze zal moeten worden aangepast. Naast de mogelijkheid om een “grote” en een “kleine”commissie te werken, zou in dit verband ook gedacht kunnen worden aan een samenwerking met de welstandscommissie. Subsidieverordening In 2002 is de Subsidieverordening Monumentenzorg 2002 vastgesteld. Uit de verschillende interviews komt naar voren dat men tevreden is over de huidige regeling. Zoals in hoofdstuk 4 uiteengezet is kunnen eigenaren van gemeentelijke monumenten een substantiële bijdrage krijgen in de kosten voor de restauratie of onderhoud van hun pand. Subsidie provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft twee financieringsregelingen in het leven geroepen voor eigenaren van niet-rijksmonumenten. Deze regelingen zouden kunnen dienen als aanvullende mogelijkheden voor eigenaren van gemeentelijke monumenten. De regelingen betreffen het “Cultuurfonds voor Monumenten Noord-Brabant” en de “Beleidsregel cultureel erfgoed”. Op basis van de eerste regeling kunnen eigenaren van gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden gelegen in een beschermd stads- en dorpsgezicht of panden geplaatst op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) in aanmerking komen voor een lage rentelening. De tweede regeling is een subsidieregeling die restauratiewerkzaamheden subsidieert aan gemeentelijke monumenten en objecten die opgenomen zijn op de CHW-kaart van de provincie. Naast de tegemoetkoming van de gemeente kunnen eigenaren van gemeentelijke monumenten ook van deze subsidiemogelijkheden gebruik maken. Modernisering Monumentenzorg In het nieuwe monumentsenstelsel zoals minster Plasterk dit heeft verwoord in zijn beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg nemen monumenteigenaren een belangrijke plaats in. Zonder hun betrokkenheid en wil om de monumentwaardigheid van hun eigendom te behouden is de monumentenzorg vooral een “papieren tijger”. De klant centraal De monumenteigenaar neemt in het nieuwe monumentenstelsel een centrale positie in. Hij is dé klant. Met klantvriendelijkheid is dus voor de monumentenzorg bij uitstek veel te winnen. De gemeente heeft hier een duidelijke rol te vervullen.Voor alle informatie en vragen omtrent het monument en de instandhouding ervan moet een monumenteigenaar bij de gemeente terecht kunnen. Zoals gezegd ligt de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van monumentale waarden en een zorgvuldig beheer primair bij de eigenaar. Ook de kosten die daarmee verband houden zullen goeddeels door de monumenteigenaar gedragen moeten worden. Dit neemt niet weg dat de gemeente hieraan een positieve bijdrage kan leveren. Bijvoorbeeld door goede informatie te verstrekken, door monumenteigenaren te enthousiasmeren, door met ze mee te denken, door ze een (financiële) prikkel te geven. Dit vraagt om een meer actieve benadering naar de monumenteigenaren toe. Daarmee is veel te winnen! Minder lasten De regeldruk bij aanvragen van vergunningen en subsidies voor monumenten is heel hoog. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft een onderzoek gedaan naar administratieve lasten voor burgers bij het aanvragen van vergunningen. Daaruit kwam naar voren dat de monumentenvergunning een erg hoge informatieplicht heeft in relatie tot alle andere gemeentelijke vergunningen. Uit onderzoek van de Erfgoedinspectie blijkt dat de introductie van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) voor de monumentenzorg een verslechtering in plaats van een verbetering heeft gebracht. De UOV zorgt voor substantiële verlenging van procedures voor wijzigingen aan rijksmonumenten, wat nadelig is voor eigenaren. Met name voor eenvoudige wijzigingen vindt de Erfgoedinspectie het niet acceptabel dat de procedure langer duurt dan vóór de invoering van de regeling. In Een lust, geen last. Visie op de modernisering van de monumentenzorg (d.d. 28-11-2008) heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn visie gegeven op de modernisering van de monumentenzorg. Volgens de minister dienen in het vernieuwde monumentenstelsel de administratieve lasten zoveel mogelijk beperkt te worden. Dit kan volgens de minister o.a. door een vereenvoudiging van het vergunningensysteem. Concreet houdt dit in dat er een categorie (bouw) – activiteiten zal worden benoemd waarvoor geen vergunning meer nodig zal zijn. Faciliteren monumenteigenaren Zoals gezegd staat de monumenteigenaar in het nieuwe monumentenstelsel centraal. De overgrote meerderheid van de monumenteneigenaren is trots op zijn monument en is bereid tot het doen van extra moeite en het maken van extra kosten. De insteek van het nieuwe monumentenstelsel is de monumenteneigenaren vertrouwen te schenken door minder te controleren bij subsidie- en vergunningsprocedures, meer vrijheden en keuze mogelijkheden te geven en optimaal te faciliteren. Deze verandering van wantrouwen naar vertrouwen van de monumenteigenaren heeft gevolgen voor de organisatie van de gemeentelijke monumentenzorg. De nadruk zal steeds meer komen te liggen op het informeren, faciliteren en enthousiasmeren van de eigenaren. In plaats van dat de nadruk ligt op het aangeven wat de eigenaar niet mag doen aan zijn pand komt de nadruk te liggen op het informeren adviseren van eigenaren over hoe zij de kwaliteit van hun pand op een zo hoog mogelijk niveau kunnen houden. Frontoffice Uit de gehouden interviews is naar voren gekomen dat het proces van informatieverschaffing aan de monumenteigenaren op een aantal punten te verbeteren valt. In een ideale situatie zou een eigenaar van een (gemeentelijk) monument die bij de gemeentelijke servicebalie REZ komt, informatie moeten kunnen krijgen over de meest uiteenlopende aspecten met betrekking tot zijn monumentenpand. Hierbij kan gedacht worden aan informatie over vergunningsprocedures, restauratiemethoden en technieken, subsidiemogelijkheden, stappenplannen en een overzicht van nuttige (internet) adressen. Bij de frontoffice moet de eigenaar op het juiste spoor gezet worden en niet alleen informatie krijgen over de proceskant van een monumentenvergunningaanvraag, maar ook informatie over hoe het restauratieproject het beste opgepakt kan worden (stappenplan) en welke subsidiemogelijkheden er te vinden zijn. Tevens zou er informatie verstrekt kunnen worden over restauratietechnieken. Informatiebrochures hierover zijn verkrijgbaar bij de RCE. Met een betrekkelijk eenvoudige inspanning valt veel te winnen op dit terrein. Planning, begeleiding en toezicht Door een actieve benadering is ook een beter inzicht te krijgen in de restauratievoornemens van monumenteigenaren. Dat inzicht is onontbeerlijk om ze vervolgens op een goede manier van dienst te kunnen zijn, maar ook om het gemeentelijke beleid te kunnen “voeden”. Op basis van de verkregen gegevens kan bijvoorbeeld een goede inschatting gemaakt worden van wat benodigd is om een plan met succes te kunnen afronden. Om op een verantwoorde wijze beleid te kunnen voeren is het ook nodig dat de monumentale waarden goed geïnventariseerd en gedocumenteerd zijn en dat de bouwtechnische onderhoudsstaat c.q. de restauratiebehoefte goed in beeld is gebracht. Dat is met name van belang om tot een goede en evenwichtige inzet van middelen te komen en om verantwoorde keuzes te kunnen maken. De gemeentelijke zorg voor monumenten beweegt zich ook op het vlak van het begeleiden van het restauratievoornemen. Door goede ondersteuning wordt de kwaliteit van een plan vergroot. Het meest effectief is om in een zo vroeg mogelijk stadium handvatten aan te reiken (schetsplannen te bespreken). Bij de uitvoering van de werkzaamheden is begeleiding en toezicht vanuit de gemeente gewenst. Door capaciteitsgebrek komt dit punt tot op heden onvoldoende uit de verf. Een medewerker bouw- en woningtoezicht met kennis van restauraties zou problemen kunnen signaleren en oplossingsmogelijkheden kunnen aanreiken waarmee de instandhouding van het monument gediend is. Ook kan zo’n medewerker onoordeelkundige ingrepen aan monumenten, met mogelijke schade, voorkomen. Verder kan hij controleren of de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de monumenten- en de bouwvergunning. Beleidsvoorstellen en acties Door invoering Wabo zal vergaderfrequentie monumentencommissie toenemen. Dit betekent dat de werkwijze van de monumentencommissie zal moeten worden geëvalueerd en aangepast. In het kader van het eigen gemeentelijk archeologiebeleid en de invoering van de Wabo (1 oktober 2010) dient de huidige monumentenverordening op onderdelen te worden aangepast. Verbeteren van het proces van informatieverschaffing aan de monumenteigenaren. Actieve benadering monumenteigenaren en belanghebbenden. Opstellen van informatiefolders, zoals stappenplannen voor restauratieprojecten en brochures over restauratietechnieken en deze beschikbaar stellen aan eigenaren. Afspraken maken over planning, begeleiding en toezicht monumentenrestauraties. Het verder professionaliseren van de werkwijze van de monumentencommissie door het opstellen van uitgangspunten en beoordelingscriteria. Bezien of het integreren van de monumentencommissie en de welstandcommissie tot een verhoging van de deskundigheid en professionaliteit kan leiden.

Rechtspraak bij dit artikel