Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.3

Beleidsdomeinen met raakvlakken

Onderdeel van Uitvoeringsnotitie mensenhandel 2022 Gemeente Cranendonck

Mensenhandel raakt allerlei facetten van de samenleving en daarmee ook uiteenlopende beleidsterreinen. Iedere professional binnen de ambtelijke organisatie kan te maken krijgen met een vorm van mensenhandel. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de integrale aanpak van mensenhandel. Een gemeente staat voortdurend met verschillende ketenpartners in contact en heeft de mogelijkheid om bestuurlijke middelen in te zetten om mensenhandel aan te pakken. Zorgbeleid De gemeenten zijn vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) én vanuit de Jeugdwet organisatorisch en financieel verantwoordelijk voor de zorg en opvang (en andere voorzieningen) voor alle slachtoffers van mensenhandel zolang zij rechtmatig in Nederland verblijven. De zorgcoördinator Mensenhandel vanuit Lumens (voor gemeente Cranendonck) draagt zorg voor de opvang van (mogelijke) slachtoffers mensenhandel en coördineert in samenwerking met betrokken partners. Daarnaast is mensenhandel onderdeel van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Slachtoffers met rechtmatig verblijf Mensen die slachtoffer zijn van mensenhandel en rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen zoals beschreven op grond van de Wmo 2015 aanspraak maken op een opvangplek. Dit geldt ook voor mensen met een tijdelijke verblijfsstatus. Deze slachtoffers mogen daarnaast op grond van de Wet arbeid vreemdelingen werken of een opleiding volgen. Indien nodig hebben ze op grond van de Participatiewet recht op bijstand. Slachtoffers zonder rechtmatig verblijf Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 8, onder k) wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een bedenktijd van maximaal drie maanden verstrekt, om te beslissen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. In deze bedenktijd schort de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland gedurende deze periode op. Slachtoffers in de bedenktijd hebben op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) recht op een maandelijkse toelage ter hoogte van de Nederlandse bijstandsuitkering (uitgekeerd door het COA). Slachtoffers van mensenhandel zonder verblijfsvergunning die aangifte doen, kunnen op basis van de verblijfsregeling mensenhandel een tijdelijke verblijfsvergunning voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek krijgen (o.g.v. de B8-regeling in de Vreemdelingencirculaire). Mocht een slachtoffer in verband met medische beperkingen, minderjarigheid of ernstige bedreiging geen medewerking kunnen verlenen aan het opsporingsonderzoek dan kan hij/zij ook voor deze verblijfsvergunning in aanmerking komen, mits dit ondersteund wordt door een verklaring van de politie, Koninklijke Marechaussee en/of een medische verklaring.7 www.wegwijzermensenhandel.nl Slachtoffers in de asielprocedure Slachtoffers die een asielprocedure hebben lopen, hebben recht op opvang in een asielzoekerscentrum. Het recht op opvang bestaat vanaf het moment dat de asielzoeker asiel aanvraagt, tot hij een verblijfsvergunning krijgt of Nederland moet verlaten. Indien een slachtoffer van mensenhandel niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit, kan hij/zij gebruik maken van de B-8 regeling uit de Vreemdelingencirculaire. Dit betekent dat het slachtoffer (die mogelijk illegaal is) een tijdelijke verblijfsstatus verkrijgt zolang het strafrechtelijk onderzoek duurt en hij/zij zich ter beschikking van het Openbaar Ministerie moet houden. Jeugdbeleid Op grond van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor minderjarige slachtoffers van mensenhandel. Dit wordt georganiseerd door Veilig Thuis-organisaties, waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn op grond van de Wmo art 4.2. Veilig Thuis richt zich op ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling, waaronder ook slachtoffers van mensenhandel kunnen vallen. Opvang De (centrum)gemeenten hebben afspraken met instellingen voor Vrouwenopvang en Maatschappelijke Opvang voor opvang van deze slachtoffers8Commissie Lenferink; gemeenten en de opvang van en zorg voor slachtoffers van mensenhandel. . Slachtoffers van mensenhandel worden op uiteenlopende manieren opgevangen: Voor derdelanders kan gebruik worden gemaakt van de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM) voor maximaal drie maanden (duur van de bedenktijd). Voor Nederlanders, EU-burgers en derdelanders met recht op voorzieningen is de Vrouwenopvang en/of de Maatschappelijke Opvang verantwoordelijk voor de opvang. Voor intensieve gespecialiseerde opvang bestaan een aantal gekwalificeerde gespecialiseerde instellingen. Minderjarigen komen onder voogdij van Jeugdzorg of Nidos (vreemdelingen). Veiligheidsbeleid In de kadernota veiligheid 2019-2022 van de gemeente Cranendonck zijn drie prioriteiten opgenomen: De aanpak van ondermijnende criminaliteit; Het versterken van de verbinding tussen zorg en veiligheid; Het versterken van een veilige woon- en leefomgeving. Deze drie doelstellingen hebben direct of indirect te maken met mensenhandel. Aan de medewerker(s) Openbare Orde en Veiligheid is het de taak om overkoepelend met dit onderwerp bezig te zijn, denk daarbij aan bewustwording bij medewerkers en samenwerkingspartners. De aandachtsfunctionaris mensenhandel is binnen cluster veiligheid belegd. Deze fungeert als meldpunt en zorgt ervoor dat mensen weten waar ze met signalen heen kunnen. De derde pijler rondom ondermijning richt zich op de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Als het om casuïstiek gaat rondom daders, gebeurt dit voornamelijk binnen Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) verband. Een criminele organisatie die zich bezighoudt met mensenhandel moet eerst een aantal hindernissen nemen om met de criminele activiteiten te kunnen starten. Criminele netwerken zoeken naar de plaats met de minste weerstand. Ze vestigen zich daarom graag in gemeenten die nauwelijks oog hebben voor ondermijning. In de contacten die zij hebben met ‘de bovenwereld’ liggen mogelijkheden om barrières op te bouwen en om signalen van mensenhandel te herkennen. Gemeenten kunnen barrières opwerpen om ondermijnende criminaliteit, waaronder mensenhandel, tegen te gaan. Gemeenten beoordelen aanvragen voor vergunningen (Algemene Plaatselijke Verordening), stellen regels aan het aantal inschrijvingen op hetzelfde adres en hebben de mogelijkheid dwangsommen op te leggen en panden te sluiten. De inzet van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) is hierbij een belangrijk instrument. Deze wet toetst breder aan integriteit, bijvoorbeeld bij horecavergunningen, vergunningen voor seksinrichtingen, overheidsopdrachten en vastgoed. Ook deze zaken kunnen indirect te maken krijgen met mensenhandel en daarom zullen de reeds bestaande Bibob-toetsen bij kunnen dragen aan het voorkomen van mensenhandel. Prostitutiebeleid Mensenhandel en prostitutie zijn twee verschillende begrippen. Prostitutie is immers een legaal beroep in Nederland. De prostitutiebranche is echter wel kwetsbaar voor misstanden, waaronder mensenhandel. Het prostitutiebeleid is een belangrijk instrument voor gemeenten om misstanden te voorkomen en aan te pakken en ondersteuning te bieden aan sekswerkers. Een goed werkend vergunningensysteem kan bijdragen aan het voorkomen van misstanden. Daarnaast is het van belang om actief in te zetten op controles binnen de illegale prostitutie. Lokaal heeft de gemeente Cranendonck in hoofdstuk 3 van de APV (reguleren prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen) voorwaarden en regels gesteld aan de exploitatie van prostitutie. Zo volgt in art. 3:5, eerste lid dat voor het uitoefenen van raamprostitutie geen vergunning wordt verleend. Uit art. 3:5, tweede lid blijkt dat ervoor ten hoogste één seksinrichting een vergunning wordt verleend. Ook is in hoofdstuk 3 van de APV aandacht voor mensenhandel. Zo volgt uit art. 3:7, eerste lid, onder aanhef c, namelijk dat een vergunning geweigerd wordt, indien de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is. Huisvestingbeleid Arbeidsmigranten zijn vaak afhankelijk van de werkgever of het uitzendbureau voor de huisvesting en het vervoer. Deze afhankelijkheidsrelatie kan voor een kwetsbare positie zorgen. Het is daarom belangrijk dat gemeenten toezien op de integriteit van de huisvester, de uitzendorganisatie en de werkgever. Gemeenten kunnen, bij een vergunningplicht, de integriteit van aanvragers en beheerders onderzoeken op grond van de Wet Bibob. Ook rondom het inschrijven van arbeidsmigranten binnen de BRP en op het handhaven op woon-of verblijfsituaties die niet aan de voorschriften voldoen, hebben gemeenten een rol. Lastiger wordt het als arbeidsmigranten korter dan vier maanden verblijven. In dit geval zijn de personen niet verplicht zich in te schrijven in de BRP en kunnen zij zich inschrijven in de Registratie Niet Ingezetenen, waardoor geen zicht meer is op de verblijfplaats. In de praktijk komt het ook voor dat personen zich geheel niet laten inschrijven. Van belang is dat er regelmatig controles worden gehouden bij signalen van excessen met betrekking tot huisvesting. Het Dommelstroom InterventieTeam kan hierin een rol spelen en staat in nauwe verbinding met de Nederlandse Arbeidsinspectie. Dit draagt bij aan het voorkomen van uitbuiting. Economisch beleid Gemeenten willen graag zorgen voor een goed vestigingsklimaat voor bonafide ondernemers. Tegelijkertijd willen ze tegengaan dat criminelen zich in de gemeente vestigen. Eerlijke horeca, vastgoedontwikkeling en een woningaanbod voor jongeren en arbeidsmigranten dragen bij aan de aantrekkelijkheid van de gemeente en zijn goed voor het ondernemerschap. Gemeenten kunnen ook de Wet Bibob actiever inzetten om de vestiging van malafide ondernemers tegen te houden. Er zijn verschillende ‘risico-sectoren’ waar uitbuiting voor kan komen, zoals de agrarische, bouw-, schoonmaak- en horecasector. Inkoopbeleid Gemeenten kunnen bij aanbestedingstrajecten of bij de inkoop van diensten en producten eisen stellen die uitbuiting kunnen voorkomen. Zoals bijvoorbeeld bij de aanbesteding van ruimtelijke projecten kunnen eisen worden gesteld aan de eerlijke inzet van arbeidskrachten (genoeg uren, werktijdenbepalingen, huisvesting) of het stellen van kwalitatieve en kwantitatieve eisen bij de aanbesteding van zorgorganisaties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel