**1..** De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder a van de Gemeentewet en artikel 30, zevende lid, van de Wet waardering onroerende zaken de door de centrumgemeente aangewezen ambtenaar zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid onder b van de Gemeentewet én zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken, aan als heffingsambtenaar van hun gemeente.
**2..** De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder b van de Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen ambtenaar zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid onder c van de Gemeentewet, aan als invorderingsambtenaar van hun gemeente.
**3..** De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder c van de Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen ambtenaren zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d van de Gemeentewet, aan als belastingambtenaren van hun gemeente.
**4..** De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder d van de Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen gemeenteambtenaren zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid onder e van de Gemeentewet, aan als belastingdeurwaarder van hun gemeente.
**5..** De colleges van de gastgemeenten kunnen bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, een andere ambtenaar van de centrumgemeente in de plaats treedt van de in artikel 231, tweede lid onder c van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar.
**6..** Dit artikel is slechts van toepassing op de heffing en invordering van belastingen zoals die in artikel 6 en de dienstverleningsovereenkomst zijn opgenomen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf
Artikel 5.
Ambtelijke bevoegdheden
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Huizen, Blaricum en Laren