Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Financiële draagkracht uit inkomen en vermogen

Onderdeel van Tijdelijk addendum op de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Rijssen-Holten 2020

1.. Voor de toepassing van individuele bijzondere bijstand ten behoeve van een vergoeding energiekosten wordt de aanvrager, met een inkomen (exclusief vakantiegeld) tot 110% van de voor de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) en een vermogen dat niet hoger is dan de voor de aanvrager in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens, geacht geen draagkracht in inkomen te hebben. 2.. Bij een inkomen (exclusief vakantiegeld) tussen 110% en 130% van de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) wordt de draagkracht vastgesteld op 20% van het meerinkomen; Bij een inkomen (exclusief vakantiegeld) tussen 130% en 150% van de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) wordt de draagkracht vastgesteld op 50% van het meerinkomen; en Bij een inkomen (exclusief vakantiegeld) dat meer bedraagt dan 150% van de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het meerinkomen. 3.. Bij de uitvoering van deze regeling houden we geen rekening met de kostendelersnorm. 4.. De draagkracht wordt voor een periode van 1 jaar vastgesteld, beginnend op de eerste dag van de maand waarop de aanvraag (eventueel met terugwerkende kracht) betrekking heeft. De draagkracht wordt gedurende het draagkrachtjaar aangepast bij een inkomenswijziging van meer dan 15% (exclusief vakantiegeld/-toeslag). 5.. Bij de vaststelling van de draagkracht wordt de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet buiten beschouwing gelaten. 6.. Bij de vaststelling van de draagkracht wordt de studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de wet buiten beschouwing gelaten. 7.. Bij de vaststelling van de draagkracht uit vermogen (waarover direct kan worden beschikt) wordt volledig rekening gehouden met het deel van dat vermogen voor zover dat hoger is dan de voor de aanvrager geldende vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. 8.. Het vermogen toebehorend aan minderjarige en meerjarige inwonende kinderen wordt buiten beschouwing gelaten. 9.. Het vermogen in de onderneming, in de voertuigen en woning van aanvrager en partner wordt buiten beschouwing gelaten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel