Naar hoofdinhoud
1.. De volgende maatregelen kunnen door de burgemeester genomen worden wanneer er sprake is van een situatie als genoemd in artikel 3 van dit beleid: aanlijngebod op grond van artikel 2:59 APV; muilkorfgebod op grond van artikel 2:59 APV; 2.. De volgende maatregelen kunnen door de burgemeester genomen worden wanneer er sprake is van een situatie als genoemd in artikel 4 van dit beleid: aanlijngebod op grond van artikel 2:59 APV; muilkorfgebod op grond van artikel 2:59 APV; inbeslagname op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht; inbeslagname op grond van artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht; inbeslagname op grond van artikel 172 lid 3 Gemeentewet; strafrechtelijke sanctie via artikel 6:1 lid 1 van de APV. 3.. De in het eerste en tweede lid onder sub a en b genoemde maatregelen vallen nadrukkelijk samen met hetgeen in artikel 2:59a van de APV wordt gesteld. 4.. De maatregelen genoemd in het eerste en tweede lid kunnen door een (preventieve) last onder dwangsom, dan wel door een last onder bestuursdwang worden afgedwongen. 5.. Indien de burgemeester voornemens is een maatregel op te leggen, wordt daartoe eerst een voornemen mondeling of schriftelijk kenbaar gemaakt aan de eigenaar/houder van de hond. Tegen dit voornemen kan door de eigenaar/houder mondeling of schriftelijk een zienswijze worden ingediend. De inhoud van de zienswijze wordt door de burgemeester meegenomen bij de beoordeling of er een maatregel wordt opgelegd. 6.. Een maatregel geldt, in beginsel, zolang de hond in leven is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel