Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien:
de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;
de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie, of;
de vergunninghouder dit verzoekt.
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.6
Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL)