Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5:

(Boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht

Onderdeel van Besluit nadere regels Jeugdhulp gemeente ‘s-Hertogenbosch 2023

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die ouder(s) en/of andere huisgenoten vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouders moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en huisvesting. Voorbeelden van gebruikelijke hulp binnen de opvoeding zijn onder andere (niet limitatief en afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige): aansturen tot het maken van huiswerk en het bieden van ondersteuning bij het huiswerk; oefenen van vaardigheden, zoals oefenen met lezen bij dyslexie of oefenen met pictogrammen; uitvoeren van oefeningen met jeugdige die door een arts of paramedici (bijvoorbeeld fysiotherapeut, ergotherapeut of logopedist) geadviseerd zijn; oefenen om met geld om te gaan; aanleren van huishoudelijke vaardigheden; aanleren van algemene dagelijkse levensverrichtingen, bijvoorbeeld aankleden, eten en persoonlijke verzorging; toedienen van medicatie; aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment bij een jeugdige met een lichamelijke beperking. We verwijzen naar bijlage 1 als ‘Richtlijn gebruikelijk hulp van ouder(s)/verzorger(s) voor kinderen met een normale ontwikkeling per leeftijd’. Bovengebruikelijke hulp: hiervan is sprake als de voor de jeugdige noodzakelijke hulp chronisch meer is dan de noodzakelijke hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft aard, frequentie en benodigde tijd. Er is sprake van bovengebruikelijke hulp bij chronische situaties. Bij chronische situaties gaat het om langdurige hulp waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn. Er is geen sprake van bovengebruikelijke hulp bij niet-chronische situaties. Bij niet-chronische situaties gaat het om kortdurende hulp waarbij er uitzicht is op herstel van de situatie van de jeugdige en zijn ouder(s)/verzorger(s) en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige en de zijn ouder(s)/verzorger(s). Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Het onderzoek in het kader van bovengebruikelijke hulp richt zich op drie aspecten: Is er sprake van een chronische situatie? Wat mag redelijkerwijs van de ouders verwacht worden? Zijn de ouder(s) in staat om de noodzakelijke hulp te bieden; zijn de ouders beschikbaar de noodzakelijke hulp te bieden? Raken de ouder(s) niet overbelast? Ontstaan er grote financiële problemen doordat de hulp wordt geboden? Eigen probleemoplossend vermogen en eigen mogelijkheden (ook wel: eigen kracht): hiervan is sprake als de jeugdige en zijn ouder(s) zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden. Een voorziening is dan niet nodig. Dit geldt ook als met de eigen kracht bovengebruikelijke hulp geleverd kan worden. Van ouders (en huisgenoten) wordt verwacht dat zij ondersteunen bij de activiteiten die de jeugdige niet kan uitvoeren. De omvang en inhoud van de ondersteuning bij de jeugdige is afhankelijk van de sociale relatie. Hoe intiemer de relatie, hoe meer hulp verwacht mag worden. Dit is veelal het geval bij 1e of 2e-graads bloedverwanten van de jeugdige. Wanneer de hulpvraag groter is dan de gebruikelijke hulp, kan hulp en ondersteuning worden ingezet. Dit is echter pas het geval als de benodigde bovengebruikelijke hulp de eigen mogelijkheden overstijgt; Bij het onderzoek naar het eigen probleemoplossend vermogen (de eigen (draag)kracht), kijkt het college onder meer naar: het aanspreken van een aanvullende verzekering; het inzetten van vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk; mogelijkheden van de ouder zelf. Ouders moeten gemotiveerd aangeven waarom en waardoor ze vast lopen aan de hand van voorbeelden. Vier punten om onderzoek te doen naar het eigen probleemoplossend vermogen/eigen kracht zijn: Zijn de ouder(s) in staat de noodzakelijke hulp te bieden; Zijn de ouder(s) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden; levert het bieden van de hulp door de ouder(s) geen overbelasting op; ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder(s) wordt geboden; Wanneer de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te raken wordt van hen geen (boven)gebruikelijke hulp verwacht. Totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven kan een individuele voorziening worden ingezet. Hierbij wordt rekening gehouden met: de (dreigende) overbelasting dient te worden opgeheven door de (boven)gebruikelijke hulp als bedoeld in lid 1 en 3 aan de jeugdige tijdelijk te laten uitvoeren door een jeugdhulpaanbieder; (boven)gebruikelijke hulp wel van deze ouder(s)/verzorger(s) wordt verwacht indien de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten buiten de (boven)gebruikelijke hulp om. We verwijzen naar bijlage 2 als ‘Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van ouder(s)’.

Rechtspraak bij dit artikel