Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 22.

Bouwregels en omgevingsvergunning waardenkaart historisch landschap

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Eindhoven

1.. Voor het bouwen van bouwwerken in gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven gelden de volgende regels: het bouwen van bouwwerken is mogelijk is krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat: •. advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen; •. als blijkt dat het bouwen van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden. 2.. Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan. 3.. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: •. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; •. het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven; •. het diepwoelen of diepploegen; •. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden; •. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels; •. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting; •. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden. 4.. Het verbod als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen: •. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en niet strijdig waren met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan; •. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; •. indien de werkzaamheden plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders; •. indien op grond van een door de commissie ruimtelijke kwaliteit goedgekeurd cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen cultuurhistorische waarden verloren gaan. 5.. De in het derde lid genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de gebieden en elementen met waarderingscategorie A die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is wordt •. advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of •. getoetst of op grond van een cultuurhistorisch onderzoek is vastgesteld dat het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen niet onevenredige verstoren. 6.. Als blijkt dat het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

Rechtspraak bij dit artikel