**1..** Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:
**a..** In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem onder het maaiveld te verstoren. Hiervoor geldt:
**•.** Categorie 1: gemeentelijk archeologisch monument. Onderzoeksplicht bij alle bodemingrepen;
**•.** Categorie 2: terrein van hoge archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 10 m2;
**•.** Categorie 3: terrein van archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 50 m2;
**•.** Categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 100 m2;
**•.** Categorie 5: gebied met een hoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 250 m2;
**•.** Categorie 6: gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 2500 m2;
**•.** Categorie 7: gebied met een lage archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld én groter dan 25000 m2;
**•.** Categorie 8: gebied zonder archeologische verwachting. Geen onderzoeksplicht.
**b..** In een archeologisch monument, gebieden met archeologische waarden en gebieden met archeologische verwachtingswaarden, zoals opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en zoals bedoeld in artikel 1, de bodem te ontgronden en hierbij het maaiveld permanent te verlagen.
**2..** Indien het eerste lid, onder a niet van toepassing is, geldt de wettelijke meldingsplicht als bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 bij een archeologische toevalsvondst.
**3..** Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:
**a..** De vrijstellingsgrenzen in het eerste lid, onder a. niet worden overschreden;
**b..** Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en er voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
**c..** Een rapport conform de meest recente versie van de KNA is overgelegd waarin ten aanzien van de (te verwachten) archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:
**•.** Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); of
**•.** De (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden geschaad; of
**•.** Naar oordeel van burgemeester en wethouders geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
**4..** De omgevingsvergunning kan, onverlet dat er sprake is van een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, worden geweigerd indien de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders ter plaatse behouden dienen te blijven (behoud in situ).