Bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning en/of een bestemmingsplanprocedure worden de volgende voorwaarden gehanteerd:
De vrijstellingsgrenzen in de vastgestelde archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn leidend. Bij het bepalen of wordt voldaan aan de vrijstellingsgrenzen, worden de afmetingen in oppervlakte én diepte van het totaal aan verwachte bodemingrepen (voor alle relevante activiteiten, zoals: bouwen, ondergronds slopen, het uitvoeren van werken of werkzaamheden) in het plangebied bij elkaar opgeteld. Ook wanneer deze activiteiten apart van elkaar worden aangevraagd (anti opknip regeling);
De vrijstellingscategorie in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de zone met de hoogste waarde of hoogste verwachtingswaarde (en dus met de laagste ondergrenzen) is dus leidend voor alle ingrepen in het plangebied. Dit is ook het geval wanneer sprake is van bodemingrepen in verschillende zones met een waarde of verwachtingswaarde die verdeeld zijn over het plangebied en ook wanneer deze zones niet aan elkaar grenzen. Slechts als de hoogste waarde of verwachtingswaarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging door burgemeester en wethouders worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied;
Archeologisch (voor)onderzoek (bureau- en/of booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek) vindt plaats in het gehele plangebied, tenzij hier naar oordeel van burgemeester en wethouders van afgeweken mag worden;
De grootte van een onderzoeksgebied dient, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in verhouding te staan tot de grootte van het plangebied;
Wanneer een KNA-conform archeologisch (voor)onderzoek is gedaan en de verspreiding en de diepteligging van het archeologisch niveau, naar oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is bepaald, dan zijn deze dimensies leidend (voortschrijdend inzicht). Wanneer deze resten naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardig zijn dan dienen ze te worden behouden door middel van planaanpassing (behoud in situ) en/of door opgraving (behoud ex situ);
Bij behoud door middel van een opgraving (behoud ex situ) gelden de volgende bepalingen: alle naar oordeel van burgemeester en wethouders behoudenswaardige archeologische waarden binnen het plangebied moeten worden opgegraven. Dit betekent concreet: archeologische resten die dieper zijn gelegen dan de voor de ontwikkeling te plegen bodemverstoring en de delen van het plangebied die niet direct bedreigd zijn, maar door hun geringe omvang bij toekomstige bodemingrepen niet meer vergunningplichtig zijn, moeten worden opgegraven;
In gebieden waar ingrepen gepland worden met een geleidelijk negatief effect, dient eerst vastgesteld te worden wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op het behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden;
Archeologie-sparende maatregelen die in het kader van een bouwinitiatief of andere (potentieel) bodemverstorende activiteit worden genomen om behoud in situ in de bodem te realiseren, dienen garant te staan voor een duurzaam in situ-behoud. Versnippering van het archeologische bodemarchief ter plaatse mag niet aan de orde zijn. De initiatiefnemer overlegt hiervoor ter goedkeuring een uitgewerkt Plan van Aanpak (PvA) al dan niet op basis van een (gemeentelijk) Programma van Eisen (PvE).