De in artikel 1.8 Apv genoemde weigeringsgronden vormen de grondslag voor – en tegelijkertijd ook de begrenzing van – het beleid. De aanvullende weigeringsgronden van artikel 5.18 Apv maken het mogelijk de vergunning aanvraag meer nauwkeurig te beoordelen. Hieronder volgt een korte omschrijving.
Bescherming uiterlijk aanzien van de gemeente
De weigeringsgrond ‘moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand', kan gehanteerd worden, indien een standplaats op een zodanige locatie is voorzien dat de cultuurhistorische of architectonische kwaliteit van een gebied wordt aangetast of het straatbeeld anderszins ernstig wordt verstoord. Op basis van deze weigeringsgrond kunnen ook eisen aan het uiterlijk aanzien van de verkoopinrichting zelf worden gesteld.
Bescherming redelijk verzorgingsniveau
Omdat een winkel, in vergelijking tot de ambulante handel, als een meer structurele voorziening kan worden aangemerkt – een winkel is immers meestal dagelijks geopend, kent een breder aanbod en is over het algemeen minder aan wijzigingen onderhevig –, is het vanuit het oogpunt van de leefbaarheid wenselijk dat de concurrentiepositie van de gevestigde winkelier niet zodanig wordt aangetast dat deze in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Uit jurisprudentie blijkt echter dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet tot de huishoudelijke belangen van de gemeente behoort en daarom niet in de belangenafweging mag worden meegenomen. De gemeente mag volgens de rechter wel regulerend optreden, wanneer het verzorgingsniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Als de laatste winkel in een bepaalde branche in een kern of wijk wordt bedreigd doordat vanaf een standplaats vergelijkbare goederen of diensten worden aangeboden, dan kan de standplaatsvergunning worden geweigerd. Deze weigeringsgrond kan overigens ook worden gehanteerd tijdens de opbouwfase van een evenwichtig voorzieningenbestand, zoals bij de vestiging van een nieuwe (en enige) supermarkt in een kern of wijk of bij een winkelcentrum dat nog in ontwikkeling is. Wordt op basis van deze weigeringsgrond een aanvraag afgewezen, dan moet wel worden aangetoond – bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier of een distributief-planologisch onderzoek – dat de levensvatbaarheid daadwerkelijk in het gedrang is.
Strijd met het bestemmingsplan
De voorgaande weigeringsgronden zijn gebaseerd op de bevoegdheid van de gemeente om die zaken te regelen die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening – zoals het bestemmingsplan – een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een standplaatsvergunning altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het geldende bestemmingsplan voortvloeien.
Overige relevante regelgeving
Naast het in de Apv gegeven toetsingskader zijn op het innemen van standplaatsen diverse andere wetten van toepassing, zoals bijvoorbeeld: de Winkeltijdenwet, de Warenwet en de Wet milieubeheer. In de navolgende hoofdstukken wordt de relatie tussen standplaatsen en deze regelgeving kort toegelicht. Ook zijn andere gemeentelijke regelingen, bijvoorbeeld de Nadere regels voor het hebben van uitstallingen (waaronder reclameborden) van toepassing.
Hoofdstuk 2
Artikel 3.
Toelichting bij het vergunningspecifieke wettelijke toetsingskader
Onderdeel van Notitie standplaatsen 2009