Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.3.

Hoogte en duur vrijlating

Onderdeel van Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Westerwolde 2023

De vrijlating, als bedoeld in art. 31, lid 2, onder n Participatiewet en art. 2, lid 1 van deze beleidsregels bedraagt: 25% van de inkomsten uit arbeid, met een maximum zoals in de Wet bepaald, per maand, gedurende ten hoogste 6 maanden. De vrijlating, als bedoeld in art. 8, lid 2 IOAW en art. 8, lid 3 IOAZ, bedraagt: 25 procent van het inkomen uit arbeid, met een maximum zoals in de Wet bepaald, per maand, gedurende 6 maanden. De vrijlating voor alleenstaande ouders, als bedoeld in art. 31, lid 2, onder r Participatiewet en art. 2, lid 2 van deze beleidsregels, bedraagt: 12,5 % van de inkomsten uit arbeid, met een maximum zoals in de Wet bepaald, per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden. De vrijlating voor alleenstaande ouders, als bedoeld in art. 8, lid 5 IOAW en art. 8, lid 9 IOAZ bedraagt: 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum zoals in de Wet bepaald, per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden. Het vrijlatingsbedrag geldt exclusief vakantietoeslag. Degene met een eigen inkomen dat uitstijgt boven de voor hem geldende bijstandsnorm (norm – verlagingen) inclusief vt heeft geen recht op bijstand en kan derhalve geen beroep doen op de vrijlatingsregeling om zodoende eventueel aanspraak te maken op aanvullende bijstand. Toelichting Voor de algemene inkomstenvrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet en art. 8, lid 2 IOAW en 8, lid 3 IOAZ, geldt dat inkomsten gedurende een periode zoals hierboven benoemd worden vrijgelaten. De inkomsten worden vrijgelaten tot 25%, met een maximum zoals in de Wet bepaald. Uit de Wet volgt niet helemaal duidelijk of er slechts eenmalig recht op inkomstenvrijlating bestaat of dat hier ieder jaar opnieuw gebruik van kan worden gemaakt. Gelet op de tekst van de overige onderdelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet moet aangenomen worden dat het recht op inkomstenvrijlating tijdens de bijstandsverlening slechts één keer per periode van bijstandsverlening bestaat. In tegenstelling tot bijvoorbeeld artikel 31 lid 2 onderdeel j en k Participatiewet ontbreekt in artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet immers een zinsnede als "per kalenderjaar" of "per jaar".2Bron: brief van 21 april 1997 met kenmerk BZ/VOL/97/7358 van de directeur bijstandszaken van het ministerie van SZW aan de VNG inzake de uitleg van de destijds nieuwe centrale vrijlatingsbepaling in de Abw. Aangenomen moet worden dat deze uitleg van overeenkomstige toepassing is op de vrijlatingsbepaling in de Participatiewet. De aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders kan pas worden toegepast na afloop van de reguliere inkomstenvrijlating zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet, art. 8, lid 2 IOAW en art. 8, lid 3 IOAZ (zes maanden). Is de inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders van toepassing, dan geldt deze gedurende een aaneengesloten periode van maximaal dertig maanden. De inkomsten worden vrijgelaten tot het maximum zoals in de Wet bepaald. Het toepassen van de vrijlating vindt plaats vóór verhoging van het inkomen met een fictief bedrag aan vakantietoeslag conform de artikelen 8 t/m 14 van de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Het vrijlatingsbedrag geldt namelijk exclusief vakantietoeslag. Zowel de reguliere inkomstenvrijlating als de aanvullende inkomstenvrijlating voor een alleenstaande ouder met de volledige zorg voor een tot zijn last komend kind jonger dan 12 jaar, is niet van toepassing voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 7 Participatiewet). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen en daar is naar het oordeel van de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 11). De vrijlatingsregeling is bedoeld voor mensen die bijstand ontvangen en is bedoeld om uitstroom uit de bijstand te stimuleren, zie CRvB 24-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2146 met noot van mr. Lance op den Camp3De uitspraak van de CRvB gaat over de normale inkomstenvrijlating. In het Gemeentenieuws SZW-2022-4 heeft de minister aangegeven dat de uitspraak óók gevolgen heeft voor de vrijlatingen voor alleenstaande ouders en voor personen met een medische urenbeperking. De structuur van de bepalingen is namelijk hetzelfde. Die vrijlatingen moeten op dezelfde manier worden beoordeeld. Wel met inachtneming van de percentages en bedragen die in artikel 31 lid 2 r en y Participatiewet staan. In de situatie dat een belanghebbende bijstand ontvangt en inkomsten uit arbeid, dan kan het voorkomen dat belanghebbende net iets meer verdient dan de toepasselijke bijstandsnorm. In die situatie hanteren we de volgende werkwijze: Bepaal de hoogte van de inkomsten onder aftrek van de inkomstenvrijlating. Bekijk of er recht bestaat op aanvullende bijstand: Is het resterende inkomen lager dan de toepasselijke bijstandsnorm: belanghebbende blijft recht houden op bijstand. Is het resterende inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm: belanghebbende heeft geen recht meer op bijstand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel