**1..** Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.49, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken als:
blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave;
blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.49 niet naleeft;
de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder moet wegen;
niet binnen twee jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
**2..** De vergunninghouder wordt van het voornemen tot intrekking in kennis gesteld en indien door de vergunninghouder gewenst gehoord. Een afschrift van de intrekking wordt verzonden aan de Monumenten- en Welstandscommissie Waterland.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf
Artikel 3.50
Intrekken van de omgevingsvergunning
Onderdeel van Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Waterland 2021