Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.4

Artikel 3.11

Werkbonus (grondslag artikel 3.15 Verordening Sociaal Domein Eindhoven)

Onderdeel van Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven

1.. Het College stelt het recht op werkbonus als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub j Participatiewet ambtshalve vast voor een belanghebbende van 27 jaar of ouder die: a.. de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; en b.. in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024 vanuit de (bijstands)uitkering voor de duur van minimaal zes aaneengesloten maanden volledig uitstroomt naar arbeid in loondienst en/of dienstverband en/of naar zelfstandige ondernemerschap, al dan niet met toepassing loonkostensubsidie; en c.. daarmee inkomsten verwerft gelijk of hoger dan de op belanghebbende en eventuele partner van toepassing zijnde bijstandsnorm en daardoor bijstandsonafhankelijk is en blijft; en d.. voorafgaand aan de aanvaarding van arbeid in loondienst en/of dienstverband en/of uitstroom naar zelfstandige ondernemerschap ten minste negen maanden ononderbroken uitkering voor levensonderhoud heeft ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAZ, IOAW; en e.. in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvaarding van arbeid in loondienst en/of dienstverband en/of uitstroom naar zelfstandige ondernemerschap geen werkbonus heeft ontvangen. 2.. De hoogte van de werkbonus bedraagt per kalenderjaar eenmalig € 1.500,-. 3.. De werkbonus wordt verminderd met het bedrag aan inkomstenvrijlating dat in de periode drie jaar voorafgaand aan de volledige uitstroom naar arbeid in loondienst en/of dienstverband en/of zelfstandige ondernemerschap aan belanghebbende is verstrekt. 4.. Belanghebbende die gezamenlijk met een partner een (bijstands)uitkering ontving, ontvangt het bedrag genoemd in lid 2 van dit artikel voor beide partners gezamenlijk. 5.. De werkbonus wordt achteraf in één keer uitgekeerd, nadat belanghebbende binnen maximaal negen maanden na beëindiging van de uitkering bewijsstukken heeft overlegd waaruit blijkt dat belanghebbende gedurende een periode van minimaal zes aaneengesloten maanden na beëindiging van diens uitkering arbeid in loondienst en/of dienstverband en/of uit zelfstandige ondernemerschap had. 6.. Bewijsstukken zoals bedoeld in lid 5 van dit artikel bestaan uit loonstroken van minimaal zes aaneengesloten maanden en 1 of meerdere arbeidsovereenkomsten en/of opdrachtverstrekking. 7.. De werkbonus wordt niet verrekend met gemeentelijke vorderingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel