**1..** In geval van dak-of thuisloosheid gaat het college, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.5, eerste lid, na wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van zijn dak- of thuisloosheid.
**2..** Indien het college vaststelt dat de cliënt, voor het ontstaan van dak-of thuisloosheid, woonachtig was in een bepaalde gemeente of regio, niet zijnde de gemeente Eindhoven of een gemeente die deel uitmaakt van de centrumregio Eindhoven, en hierover overeenstemming heeft met de bepaalde gemeente of regio kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de bepaalde gemeente of regio, waarbij voor de overdracht van eventuele informatie artikel 4.5b, vierde lid van toepassing is.
**3..** Indien het college de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dak- of thuisloosheid niet vaststelt of kan vaststellen, dan wel de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door de gemeente of regio, zoals bedoeld in het tweede lid, voert het college het onderzoek uit. Dit geldt ook indien het college niet tot overeenstemming komt met de in het tweede lid bedoelde gemeente of regio.
**4..** Indien het college het onderzoek in verband met de dak- of thuisloosheid van de cliënt zelf uitvoert, kan zij de in het tweede lid bedoelde gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.
**5..** In geval van dak- of thuisloosheid, gaat het college, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.5, tweede lid, na:
**a..** in welke gemeente of regio een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt;
**b..** of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten;
**c..** of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt;
**6..** Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek.
**7..** Het onderzoek, zoals bedoeld in het derde lid, wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd, tenzij er redenen zijn, buiten de invloed van het college, die dit onmogelijk maken.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.2
Artikel 4.5a
Onderzoek bij dak-of thuisloosheid
Onderdeel van Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven