Naar hoofdinhoud
1.. Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of bij gedragingen uit de eerste en twee categorie de gedraging meer dan zes maanden voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. bij gedragingen uit de derde en vierde categorie de gedraging meer dan twaalf maanden voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende redenen. 3.. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Rechtspraak bij dit artikel