Naar hoofdinhoud
4.1 Omschrijving Begeleiding is gericht op het bevorderen, het behouden of het compenseren van zelfredzaamheid. Hoofddoel van deze ondersteuning is dat de cliënt, met hulp, zelfstandig kan -blijven- functioneren. Begeleiding richt zich op de volgende doelgroepen: Ouderen met somatische en/of psychogeriatrische problematiek; Volwassenen met psychiatrische problematiek; Volwassenen met een verstandelijke beperking; Volwassenen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte; Multi-problemgezinnen. Hierbij zijn eigen kracht van de cliënt en zijn omgeving het vertrekpunt en staan de eigen mogelijkheden van de cliënt centraal. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die een cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. De cliënt: Heeft het vermogen om zelfzorg hanndelingen uit te voeren of hier regie over te voeren; Heeft het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties (thuis, relaties met vrienden en familie aan te gaan en te onderhouden); Heeft het vermogen om zelf in zelf in zijn dagstructuur te voorzien; Kan zelf besluiten nemen en regievoeren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. Ook het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, werk, gezondheid etc. In de tweede plaats kan begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. De ondersteuning kan op onderdelen ook in groepsverband plaatsvinden. Ook persoonlijke verzorging kan deel uitmaken van individuele begeleiding wanneer sprake is van een noodzaak voor aansturing bij de zelfzorg door bijvoorbeeld een verstandelijke, zintuiglijke of psychiatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige tot zware beperkingen op tenminste één van de volgende vijf terreinen: Sociale redzaamheid; (o.a. begrijpen wat andere zeggen, een gesprek voeren, zich begrijpelijk maken, uitvoeren van eenvoudige taken, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, administratie bijhouden); Bewegen of verplaatsen; (o.a. voortbewegen binnen- en buitenshuis (zonder hulpmiddelen), gebruik maken van het openbaar vervoer, voorwerpen tillen); Probleemgedrag; (o.a. destructief gedrag, (lichamelijk en/of verbaal) agressief gedrag, manipulatief gedrag); Psychisch functioneren: (o.a. concentratie, geheugen en denken, perceptie van de omgeving); Geheugen- oriëntatiestoornissen (oriëntatie in persoon, ruimte, tijd en naar plaats); NB Genoemde voorbeelden zijn niet limitatief! Met betrekking tot de Maatwerkvoorziening Begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen Individuele begeleiding; Dagbesteding; Vervoer naar dagbesteding; Kortdurend verblijf ( in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger). 4.2 Individuele Begeleiding 4.2.1. Omschrijving Of een cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of dagbesteding wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband (dagbesteding) is voorliggend op Individuele Begeleiding als hetzelfde doel beoogd wordt. Wanneer de ondersteuningsbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de behoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is individuele begeleiding de aangewezen ondersteuningsvorm. Individuele Begeleiding is gericht op vooruitgang en verbetering van de zelfredzaamheid en participatie opdat cliënt zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Waar vooruitgang en verbetering niet mogelijk is, is deze gericht op het behouden van de situatie en het voorkomen of begeleiden van achteruitgang. Er wordt rekening gehouden met de stabiliteit van de situatie, het lerend vermogen van de cliënt, de prognose van de beperkingen, de mogelijkheden van voorliggende voorzieningen en dagbesteding. Met ondersteuning die het beste past wordt er toegewerkt naar de doelen en resultaten zoals vermeld in het Individueel Ondersteuningsplan. Het is vervolgens aan de zorgaanbieder om het individueel begeleidingsplan verder uit te werken en concrete doelen en acties te omschrijven. Individuele Begeleiding kan zowel door middel van persoonlijk contact als ook telefonisch, via WhatsApp, e-mail, videobellen (digicontact) e.d. plaatsvinden (zgn. ‘blended care’). De omvang/ frequentie is de tijd die aan de daadwerkelijke begeleiding van de cliënt besteed wordt. Reistijd, rapportagetijd, intervisie/ intercollegiale toetsing, overlegstructuren etc. van de zorgaanbieder maken geen deel uit van de omvang van de begeleiding, maar zijn reeds verrekend in de tarieven. Aan de hand van de volgende aspecten wordt bepaald welke ondersteuning en bijbehorend tarief het beste aansluit bij de ondersteuningsvraag van de cliënt. De aspecten die onderscheiden worden zijn: De grondslag (GZ, GGZ, VVT/V&V, NAH) Omvang van de ondersteuningsvraag (in uren/minuten) Duur van de ondersteuning. De ondersteuning sluit aan bij wat een cliënt (met hulp van zijn netwerk) zelf kan of kan leren. Het voorliggend veld wordt maximaal gebruikt en de zorgaanbieder biedt hulp op maat, met ruimte voor een innovatieve aanpak en nieuwe methodieken. 4.2.2 De grondslagen Onder een grondslag wordt verstaan: "een aandoening, beperking of handicap als gevolg waarvan cliënt op één of meerdere vormen van ondersteuning kan zijn aangewezen". De grondslag is bepalend voor het tarief waartegen zorgaanbieders hun ondersteuning aanbieden. Er worden 4 grondslagen onderscheiden. Deze grondslagen zijn een afgeleide van de in het verleden in het kader van de AWBZ gehanteerde grondslagen. 4.2.2.1 Gehandicaptenzorg (GZ) Verstandelijke handicap Er is sprake van een verstandelijke handicap als een cliënt cognitief/intellectueel beneden gemiddeld scoort op een algemene intelligentietest (norm: IQ 70 of lager). Er zijn blijvende beperkingen op het gebied van de sociale redzaamheid en dit voor het 18e levensjaar is ontstaan. Als er sprake is van ernstige en chronische beperkingen in sociale redzaamheid, leerproblemen en/of gedragsproblemen, mag een IQ-score tussen 70 en 85 eveneens worden opgevat als een licht verstandelijke handicap. Als het verbale en performale IQ ver uiteen liggen en er twijfel bestaat over de interpretatie van dit verschil, dan zal de behandelaar geraadpleegd worden om duidelijkheid te verschaffen. Doorgaans zullen psychiatrische symptomen, bijvoorbeeld van een autistiform karakter, bij een licht verstandelijke handicap, uitdrukking zijn van de verstandelijke handicap. Dat een cliënt een IQ van 70 of lager moet hebben, dan wel een IQ tussen de 70 en 85, hoeft niet in alle gevallen door een nieuwe IQ test te worden ondersteund. Het gaat erom dat de gegevens nog voldoende actueel zijn om de grondslag Verstandelijke handicap vast te stellen. Uit de voorgeschiedenis bekende informatie geeft vaak voldoende onderbouwing om een IQ van lager dan 70 aan te houden. Voorbeeld: iemand die jarenlang op een ZMLK-school heeft gezeten, zal daar niet zijn toegelaten wanneer het IQ hoger dan 70 is. De voorgeschiedenis als geheel kan overtuigende aanwijzingen geven dat van een (eerder gestelde) diagnose sprake is en daarmee van een grondslag Verstandelijke handicap. Zintuiglijke handicap De grondslag Zintuiglijke handicap wordt in de regel toegekend aan cliënten die een visuele of auditief-communicatieve handicap of een (zeer) ernstig spraak-/taalprobleem (of -stoornis) hebben. Visuele stoornissen en beperkingen Van een visuele handicap is sprake als er door een arts op basis van diagnostiek ernstige stoornissen in het gezichtsvermogen zijn vastgesteld, in combinatie met beperkingen in het dagelijks functioneren. Visus wordt uitgedrukt in een getal en is een maat voor het vermogen om fijne details te onderscheiden. De gezichtsscherpte is 1.0 als deze 100% is. De diagnostiek vindt plaats door middel van metingen met hulpmiddel (bril). Een visuele handicap valt onder de grondslag ZG als er sprake is van: Een gezichtsscherpte van <0.3 aan het beste oog, en/of; Een gezichtsveld < 30 graden, en/of; Een gezichtsscherpte tussen 0.3 en o.s aan het beste oog met daaraan gerelateerde ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. Auditief-communicatieve handicap Met een auditief-communicatieve handicap wordt een handicap in de communicatieve sfeer bedoeld als gevolg van een gehoorstoornis. Van een auditieve beperking is sprake als door of namens een arts stoornissen in het gehoorvermogen zijn vastgesteld. Van communicatieve beperking is sprake als een cliënt door een medische oorzaak zodanige problemen in de communicatie ondervindt, dat hij in het contact met anderen afhankelijk is van ondersteunende communicatiemiddelen. Er is sprake van een auditieve stoornis als het drempelverlies bij het audiogram ten minste 35 dB bedraagt, verkregen door het gehoorverlies bij frequenties van 1000, 2000 en 4000 Hz te middelen of, als het drempelverlies groter is dan 25 dB bij meting volgens de Fletcherindex, het gemiddelde verlies bij frequenties van soa, 1000 en 2000 Hz. Een spraak-/taalprobleem (of -stoornis) Dit wordt onder de grondslag Zintuiglijke handicap gerekend als er een aandoening of stoornis is vastgesteld die leidt tot ernstige of zeer ernstige beperkingen op één of meer van de hierna genoemde aspecten: spraakstoornis/-beperking (spreekt woorden en/of zinnen niet goed uit} centrale auditieve stoornis/beperking (er is aangetoond dat de verwerking van geluid/spraak door de hersenen niet goed verloopt}; taal-begripstoornis/-beperking (moeite met begrijpen wat anderen zeggen}; taal-productiestoornis/-beperking (moeite taal te gebruiken om zich aan anderen duidelijk te maken}; pragmatische taalstoornis/-beperking (te weinig rekening houden met anderen tijdens gesprek, alleen op kernwoorden reageren, uitingen te letterlijk opvatten waardoor misverstanden ontstaan, van de hak op de tak springen, teveel praten, geen onderscheid maken tegen wie je praat, herhalen, te precies taalgebruik, in zichzelf praten, moeite met beginnen van een gesprek). 4.2.2.2 VVT (V&V) Onder deze grondslag vallen zowel lichamelijke aandoeningen of beperkingen als ook psychogeriatrische aandoeningen. Somatische aandoening of beperking Deze vindt veelal zijn oorzaak in een (lichamelijke) ziekte of aandoening. In sommige situaties bereikt een chronische somatische aandoening op enig moment een 'eindstadium'. Dat wil zeggen dat bij de somatische aandoening een stabiele toestand is bereikt waarin geen functionele verbetering meer te verwachten is. Verdere behandeling zal niet leiden tot verder herstel en bepaalde beperkingen worden daarmee blijvend. Wanneer eenmaal een eindstadium is vastgesteld, wordt in bepaalde gevallen niet meer gesproken van de grondslag Somatische aandoening of beperking, maar van de grondslag Lichamelijke handicap. Een aandoening die doorgaans stabiel is en bij verergering door medische en/of paramedische behandeling kan genezen of verbeteren, heeft als grondslag Somatische aandoening of beperkingen, dus niet de grondslag Lichamelijke handicap. Wanneer sprake is van blijvende beperkingen, niet veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot-/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), dan is de grondslag Somatische aandoening of beperking van toepassing. Psychogeriatrische aandoening of beperking Een psychogeriatrische grondslag wordt gevormd door een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen. Veelal is er een aantasting te zien van onder andere denkvermogen, gevoelsleven, intellect, herinneringscapaciteit al of niet in combinatie met een afname van motorische functies en een vermindering van de sociale redzaamheid. Eén van de aandoeningen die leidt tot de grondslag psychogeriatrie is dementie. Dementie is een verzamelnaam voor symptomen die allemaal veroorzaakt worden door niet-aangeboren afwijkingen in de hersenen. Het wordt ook wel 'dementieel syndroom' genoemd. Dementie is dus niet een ziekte op zich, maar een aandoening. Er zijn meer dan zestig typen dementie bekend (NIA 1980). De meest bekende zijn de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie, Lewy Body-dementie en frontaalkwab-dementie. Deze aldus gediagnosticeerde ziektebeelden zijn tevens de meest voorkomende oorzaken van dementie. 4.2.2.3 Geestelijke gezondheid (GGZ) Psychiatrische ziektebeelden/aandoeningen worden ook wel psychische stoornissen genoemd omdat een of meer symptomen van de stoornis veroorzaakt worden door in de psyche gelegen factoren. Deze uiten zich in psychische stoornissen, vaak ook als mentale stoornissen aangeduid. Voorbeelden van psychiatrische ziektebeelden zijn psychose, schizofrenie en persoonlijkheidsstoornissen. Deze kunnen leiden tot psychische stoornissen, bijvoorbeeld een stemmingsstoornis zoals depressie. Psychische stoornissen komen in het dagelijks leven veel voor: van 'midwinterdip' tot rouwverwerking. Veel mensen hebben wel eens een periode dat het niet zo goed gaat en er meer of minder ernstige problemen zijn. Het zijn in principe normale reactiepatronen van de menselijke psyche, die aandacht vragen maar niet pathologisch zijn: als er hulp nodig is, kunnen deze stoornissen in de eerste lijn worden opgelost (huisarts, maatschappelijk werkende, eerstelijns psycholoog, enz.). 4.2.2.4 Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) Onder niet-aangeboren hersenletsel (NAH) wordt verstaan: hersenletsel door welke oorzaak dan ook, anders dan door de geboorte ontstaan, dat leidt tot een onomkeerbare breuk in de levenslijn en tot het aangewezen zijn op de hulpverlening. NAH is geen diagnose, maar een verzamelnaam voor een groep van aandoeningen. Voorbeelden van NAH zijn hersenletsel door een verkeersongeluk of na een hersenoperatie vanwege een hersentumor of als gevolg van een CVA. 4.2.3 Omvang van de ondersteuning De omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de tijd om het gewenste en mogelijke niveau van zelfredzaamheid te bereiken en/of te behouden. Verder hangt de omvang van de ondersteuning nauw samen met de aard en ernst van de problematiek en de mate van zelfredzaamheid. Indicaties worden afgegeven in een veelvoud van 15 minuten. Voor het bepalen van de omvang van de ondersteuning, zijn onderstaande omschrijvingen richtinggevend: 4.2.3.1 Wekelijks ondersteuning Er is sprake van lichte problemen ten aanzien van de dagelijkse routine en het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Er is enige stimulans, aansturing of toezicht nodig bij het vormgeven van het sociale leven, doen van aankopen en beheer van geld. De cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen/minimale noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Soms is er sprake van lichte gedragsproblemen die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Met betrekking tot het psychisch functioneren kan er sprake zijn van lichte problemen met concentratie, geheugen en denken. De ondersteuning is planbaar en/of uitstelbaar. Ook wanneer is sprake is van zwaardere, complexe problematiek maar waarbij wel een behoorlijke mate van stabiliteit is bereikt, kan veelal volstaan worden met wekelijkse ondersteuning. 4.2.3.2 Meerdere keren per week ondersteuning Het oplossen van problemen, zelfstandig nemen van besluiten en gevolgen daarvan overzien, het regelen van de dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine zijn voor de cliënt niet vanzelfsprekend. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van ondersteuning en hulp en (gedeeltelijke) overname van taken/regelzaken De cliënt begrijpt niet altijd goed wat anderen zeggen en/of kan zichzelf niet altijd voldoende begrijpelijk maken. Het niet bieden van ondersteuning kan leiden tot forse achteruitgang, met eventueel verwaarlozing of opname tot gevolg. Er kan sprake zijn van gedragsproblemen welke bijsturing door een deskundige professional vereisen. Als er geen bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie. Met betrekking tot het psychisch functioneren kan er sprake zijn van zodanige problemen met concentratie en informatieverwerking dat hiervoor ondersteuning noodzakelijk is. De ondersteuning is overwegend planbaar en/of uitstelbaar. 4.2.3.3 Meer dan 2 keer per week ondersteuning De cliënt is vaak niet in staat om complexe taken zelfstandig uit te voeren. Een deel hiervan moet worden overgenomen (bijvoorbeeld door een bewindvoerder). Er zijn problemen met het initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken en er kunnen problemen in de communicatie bestaan. De cliënt is niet in staat zelfstandig problemen op te lossen en/of besluiten te nemen en de gevolgen daarvan te overzien. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van hulp. Er kan sprake zijn van ernstig probleemgedrag waardoor zelfredzaamheidsproblemen ontstaan. Mogelijk zijn er ook risico’s voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving. Er is deskundige, professionele sturing nodig om dit gedrag in goede banen te leiden. Met betrekking tot het psychisch functioneren kan er sprake zijn van ernstige problemen met concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving, dat volledige overname van taken door een professional noodzakelijk is. De ondersteuning is vaak meerdere keren per week noodzakelijk. Dit kunnen zowel planbare als niet vooraf geplande momenten zijn. De situatie van de cliënt is vaak niet stabiel, indicaties zijn daarom vaak kortdurend van aard en een noodzaak voor een verblijfsindicatie is wellicht aanwezig. 4.2.4 Duur van de ondersteuning De duur van de indicaties (ondersteuning) hangt veelal nauw samen met de stabiliteit van de situatie van de cliënt (en dus ook vaak met de grondslag). Het is voorstelbaar dat indicaties op basis van GZ of NAH-problematiek vaak voor een langere tijd worden afgegeven dan indicaties waarbij de ondersteuningsbehoefte sterk kan wisselen of kan toenemen zoals bij GGZ-problematiek of VVT (toename als gevolg van bijvoorbeeld dementie). 4.3 Dagbesteding 4.3.1 Omschrijving Of een cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of dagbesteding wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband (dagbesteding) is voorliggend op Individuele Begeleiding als hetzelfde doel beoogd wordt. Bij Dagbesteding wordt de ondersteuning in groepsverband gegeven. Wanneer begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is dagbesteding de aangewezen vorm van begeleiding. Dagbesteding heeft als doel: het aanbrengen van een dag\weekstructuur; het behouden van vaardigheden; het reguleren van gedragsproblematiek; het kunnen deelnemen aan de samenleving behouden of bevorderen; het ondersteunen en/of ontlasten van de thuissituatie of mantelzorger in geval van (dreigende) overbelasting. Daarnaast kan het gaan om een dagprogramma met als resultaat: een zinvolle invulling van de dag; het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructuur dan school of werk; zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zo veel mogelijk handhaven en/of gedragsproblematiek reguleren. Er zijn twee typen dagbesteding: basis en speciaal. 4.3.1 Cliëntprofiel Dagbesteding basis De cliënt is in staat om, eventueel met ondersteuning, zelf hulp te vragen. Onder stabiele omstandigheden kan de cliënt (redelijk) zelfstandig functioneren. Wel bestaat het risico op overvraging van de cliënt door de omgeving. Overige kenmerken: de cliënt is op het gebied van ADL meestal zelfstandig. Er kan wel behoefte zijn aan toezicht en stimulatie en/of de cliënt heeft naar aanleiding van psychosociale/cognitieve functies af en toe behoefte aan hulp, toezicht en sturing, met name vanwege beperkingen met betrekking tot geheugen en denken, concentratie en motivatie en/of bij de cliënt is sprake van enige gedragsproblematiek waarbij af en toe hulp, toezicht of sturing nodig is. Bij deze cliënt kan ook psychiatrische problematiek voorkomen, vooral passief van aard. 4.3.2 Cliëntprofiel Dagbesteding speciaal De cliënt is vanwege een diversiteit aan oorzaken niet staat, zelf hulp te vragen. Er is sprake van beperkt tot geen inzicht in de eigen vermogens. De zorg is vaker onplanbaar. de cliënt heeft op het gebied van ADL ten aanzien van verschillende functies ondersteuning nodig en/of de cliënt heeft naar aanleiding van psychosociale/cognitieve functies vaak of (nagenoeg) continu hulp, toezicht en sturing nodig. Er zijn beperkingen met betrekking tot regievoering, oriëntatie, concentratie, geheugen en denken en/of er is bij deze cliënt vaak sprake van gedragsproblematiek, waarbij vaak of (nagenoeg) continu hulp, toezicht of sturing nodig is. Er kan sprake zijn van actieve psychiatrische problematiek. 4.3.3. Omvang van de dagbesteding De omvang is afhankelijk van de gestelde doelen van cliënt en/of zijn netwerk. Er wordt geïnventariseerd waar de cliënt en/of zijn netwerk behoefte aan heeft in relatie tot participeren in de samenleving, een zinvolle dagbesteding, de ontlasting van de mantelzorger en de aanwezigheid en mogelijkheden van voorliggende voorzieningen. Maximaal kunnen negen dagdelen per week worden geïndiceerd. 4.3.4 Vervoer ten behoeve van de dagbesteding: De omvang van het vervoer wordt bepaald aan de hand van het aantal dagdelen dagbesteding, met een maximum van vijf dagen waarop vervoer plaats kan vinden. 4.4 Kortdurend Verblijf Omvang kortdurend verblijf: De omvang is gemaximeerd op 50 etmalen per jaar. Er wordt rekening mee gehouden of cliënt de benodigde persoonlijke verzorging en begeleiding meeneemt vanuit de een eventueel aanwezige indicatie individuele begeleiding en/of dagbesteding. 4.5. Persoonlijke verzorging Voor ondersteuning ten behoeve van de persoonlijke verzorging als onderdeel van individuele begeleiding geldt de volgende indicatieve omvang en frequentie: Activiteit Omvang per keer* Frequentie Zich wassen (gedeeltelijk) 10 minuten 1 keer per dag Zich wassen (volledig) 20 minuten 1 keer per dag Uit bed komen 10 minuten 1 keer per dag In bed gaan 10 minuten 1 keer per dag Aankleden (gedeeltelijk) 10 minuten 1 keer per dag Uitkleden (gedeeltelijk) 10 minuten 1 keer per dag Aankleden (volledig) 15 minuten 1 keer per dag Uitkleden (volledig) 15 minuten 1 keer per dag Tanden poetsen 5 minuten 2 keer per dag Haren kammen/borstelen 5 minuten 1 keer per dag Nagels knippen 5 minuten 1 keer per week Scheren 10 minuten 1 keer per dag Medicatie aanreiken 5 minuten Per keer Toiletbezoek en reinigen/ incontinentiemateriaal verwisselen 15 minuten Per keer Als meerdere handelingen/activiteiten tijdens hetzelfde zorgmoment worden uitgevoerd, dan is er sprake van ‘samenvallende activiteiten’. Daarvoor wordt in totaal minder tijd geïndiceerd, omdat de zorg efficiënter wordt geboden. Bij een enkelvoudige activiteit wordt de totale tijd gemiddelde tijd als basis genomen. Bij meerdere activiteiten wordt van elke activiteit 3,5 minuut indirecte tijd in mindering gebracht en per zorgmoment wordt vervolgens 3,5 minuut indirecte tijd weer opgeteld. Bron: CIZ Indicatiewijzer Versie 7.1 juli 2014.Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging, Centrum Indicatiestelling Zorg, 2005

Rechtspraak bij dit artikel