Naar hoofdinhoud
De subsidietarieven en -bedragen worden jaarlijks geïndexeerd met de index die wordt gebruikt door het ministerie van SZW voor het landelijk maximum uurtarief, tenzij er gegronde redenen voor het college zijn om hiervan af te wijken. De grondslag voor de subsidie is het aantal (doelgroep)peuters en het aantal uren dat deze peuters gebruik maken van de peuteropvang. Het college subsidieert de volgende bedragen aan de aanbieder: per peuter op een reguliere peuterplaats van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag: maximaal 8 uren per week gedurende 40 weken per jaar maal het landelijk maximum uurtarief minus de gefactureerde ouderbijdrage over deze uren; per doelgroeppeuter op een VE-peuterplaats van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag: 16 uren per week gedurende 40 weken per jaar maal het landelijk maximum uurtarief minus de gefactureerde ouderbijdrage over 8 uren per week en 40 weken per jaar; per doelgroeppeuter op een VE-peuterplaats van ouders met recht op kinderopvangtoeslag: 8 uren per week gedurende 40 weken per jaar maal het landelijk maximum uurtarief; ouders nemen aanvullend nog ten minste 8 uren per week gedurende 40 weken per jaar af, waarover zij kinderopvangtoeslag kunnen aanvragen; per doelgroeppeuter op een VE-peuterplaats: een aanvullende subsidie in de vorm van een VE-jaarbedrag; indien een doelgroeppeuter een gedeelte van het jaar deelneemt, wordt het VE-jaarbedrag naar rato verstrekt. per doelgroeppeuter op een VE-peuterplaats op 1 januari van het subsidiejaar: een aanvullende subsidie voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker VE voor netto 10 uren per jaar. Deze inzet wordt gerealiseerd in werkelijk ingezette uren en niet in contracturen. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met afwezigheid door vakantie-, verlof- en feestdagen. De aanbieder int zelf de ouderbijdragen en is verantwoordelijk voor het risico van niet-betalers. De ouderbijdragen en subsidie per bezette peuterplaats zijn in onderstaand schema opgenomen. reguliere peuterplaats VE-peuterplaats met recht op kinderopvangtoeslag ouderbijdrage: uren die zij afnemen x landelij maximum uurtarief gemeentesubsidie: geen ouderbijdrage: ten minste 320 uur per jaar x landelijk maximum uurtarief gemeentesubsidie: 320 uren er jaar x landelijk maximum uurtarief + VE-jaarbijdrage + subsidie inzet PBM'er VE* zonder recht op kinderopvangtoeslag ouderbijdrage: uren die zij afnemen (maximaal 320 uren per jaar) o.b.v de VNG-adviestabel gemeentesubsidie: uren die zij afnemen (maximaal 320 uren per jaar) x landelijk maximum uurtarief minus de gefactureerde ouderbijdrage over deze uren ouderbijdrage: 320 uren per jaar o.b.v. de VNG-adviestabel gemeentesubsidie: 640 uur per jaar x landelijk maximum uurtarief minus de gefactureerde ouderbijdrage over 320 uren + VE-toeslag + subsidie inzet PBM'er VE* * subsidie inzet pedagogisch medewerker VE wordt gebaseerd op aantal doelgroeppeuters per 1 januari van betreffende jaar

Rechtspraak bij dit artikel