Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening onroerende-zaakbelastingen Eemsdelta 2023

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen wordt aangemerkt als één belastingbedrag. De belastingschuldige kan een machtiging tot automatische incasso verlenen indien het belastingbedrag minder dan € 10.000 bedraagt. Ingeval een machtiging tot automatische incasso is verleend, dient het belastingbedrag te worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien het belastingbedrag lager is dan € 100 wordt in afwijking van het gestelde in het derde lid het aantal termijnen bepaald door het belastingbedrag te delen door het minimum termijnbedrag. Het minimum termijnbedrag bedraagt € 10. Het laatste termijnbedrag kan afwijken van de voorgaande gelijke termijnen. De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen niet zijn betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één maand na afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als bedoeld in het eerste lid. Indien het belastingbedrag minder dan € 10 bedraagt, worden de op dat aanslagbiljet vermelde aanslag of aanslagen niet geheven. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de bovengenoemde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel