De persoon die een aanvraag algemene bijstand indient, dient bij de aanvraag een verklaring als bedoeld onder a, b, en/of c aan het college te overleggen, waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst:
een eigen verklaring dat hij in de periode vanaf het 5e tot en met het 16e levensjaar gedurende tenminste acht jaar in Nederland woonplaats had (in de zin van artikel 10 van boek I van het Burgerlijk Wetboek);
een eigen verklaring dat hij over een diploma Inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de Wet Inburgering beschikt;
een eigen verklaring dat hij over enig document beschikt, waaruit blijkt dat de uitkeringsgerechtigde de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst.
Onverminderd het in het eerste lid bepaalde kan het college bepalen dat belanghebbende bij twijfel alsnog documenten overlegt.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.2.
Aantonen beheersing Nederlandse taal
Onderdeel van Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ 2025 gemeente Dantumadiel