Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2.8

Activiteiten dagelijks leven

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2023

a) Behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt Zelfstandig aankleden, wassen/douchen, naar het toilet gaan, verzorging van tanden/huid/nagels, eten, drinken, hulpmiddelen (prothese, steunkousen, etc.) aanbrengen, zelfstandig eten bereiden, boodschappen doen, de was en klussen in/rond huis, licht of zwaar huishoudelijk werk (schoonmaken o.a.), het huishouden organiseren en de tuin onderhouden. b) Gewenst resultaat (Langer) zelfstandig functioneren en (blijven) wonen. c) Eigen kracht, gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen Bijvoorbeeld: bepalen wat mensen zelf kunnen (hulpmiddel om steunkousen aan te trekken aanschaffen). Als mensen voorheen op eigen kosten iemand inhuurden voor het verrichten van huishoudelijke taken en er geen inkomenswijziging of aantoonbare meerkosten ontstaan in relatie tot de beperking, is geen compensatie nodig. Voor gebruikelijke hulp van huisgenoten in het huishouden zie bijlage 1 Protocol Gebruikelijke hulp voor Hulp bij het Huishouden. d) Rol mantelzorger(s) en sociaal netwerk Mantelzorger(s) en mensen uit het netwerk geven zelf aan wat ze naast de gebruikelijke hulp kunnen en willen betekenen in het huishouden (bijvoorbeeld boodschappen doen), rondom huis, het brengen en/of halen van kinderen bij opvang of wat betreft de zorg voor de cliënt. Wanneer ouders overbelast (dreigen te) raken als gevolg van beperkingen, kunnen zij Jeugdhulp of Wmo-ondersteuning ontvangen ter ontlasting van de zorg, zie h) van deze paragraaf. e) Mantelzorgondersteuning Bijvoorbeeld: behoefte aan ondersteuning en/of ontlasting door de inzet van respijtzorg (zoals dagbesteding) of gedeeltelijke vervanging van de mantelzorg door professionele hulp (zoals verzorging via de Zvw). Specifiek ter ontlasting van mantelzorgers is het mogelijk om gebruik te maken van de Toelage Hulp bij het Huishouden (HHT), zie bijlage 3. f) Algemene voorzieningen Bijvoorbeeld: technische hulpmiddelen (o.a. wasdroger of afwasmachine), boodschappenbezorgdienst (supermarkt, vrijwilligersorganisaties), kant-en-klaarmaaltijden, maaltijdservice, klusservice, boodschappenhulp van Swon of de Hulpdienst en kinderopvang (in relatie tot verzorging van kinderen/Hulp bij het Huishouden 2). Persoonlijke verzorging en verpleging zijn sinds 2015 grotendeels onderdeel van de Zvw. Dit wordt geïndiceerd door de wijkverpleegkundige of de huisarts, waarmee afgestemd wordt. Verpleging en verzorging thuis (wijkverpleging) voor volwassenen (18+) met (risico op) behoefte aan geneeskundige zorg valt onder de Zvw. g) Maatwerkvoorziening - Persoonlijke verzorging voor mensen met een verstandelijke, zintuiglijke en/of psychiatrische beperking (geen behoefte aan geneeskundige zorg) valt onder de Wmo. Hiervoor kan een Wmo-maatwerkvoorziening worden aangevraagd. Voor persoonlijke verzorging aan jeugdigen geldt dat: persoonlijke verzorging die gericht is op het versterken van de zelfredzaamheid van de jeugdige onder de Jeugdwet valt; persoonlijke verzorging voor jeugdigen die verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop sinds 2018 onder de Zvw valt. - Hulp bij het Huishouden (HH) 1. Voor de resterende taken kan via de Wmo HH1 (licht en zwaar huishoudelijk werk, maaltijdvoorziening, wassen en strijken) of HH2 (HH1 + regie op het huishouden en verzorging van kinderen) worden aangevraagd. De Wmo-consulent bepaalt tijdens ‘het gesprek’ of de inzet van de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en of dit dan gaat om HH1 of HH2. De cliënt wordt vervolgens ‘een schoon en leefbaar huis’ toegekend. De Wmo-consulent bepaalt aan de hand van de normering in bijlage 2 van deze beleidsregels de samenstelling van de hulp, de werkzaamheden, de frequentie en de omvang in minuten. 2. Voor zover op dit leefgebied maatwerkvoorzieningen in de vorm van woningaanpassingen worden verstrekt geldt dat aanpassingen slechts worden verricht in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Dit geldt ten aanzien van de woonruimtes die de cliënt daadwerkelijk in gebruik heeft of gaat nemen voor de elementaire woonfuncties. Een verder strekkende behoefte dient door de cliënt te worden aangetoond. Voor woonvoorzieningen en -aanpassingen zie verder paragraaf 2.2.3.

Rechtspraak bij dit artikel