Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:
het opschorten voor de duur van ten hoogste acht weken van het recht op een uitkering ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 17, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) en artikel 17, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ), als de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel als de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent:
vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
vanaf de dag van het verzuim als niet kan worden bepaald op welke periode het verzuim betrekking heeft;
het herzien of intrekken van het toekenningbesluit ingevolge artikel 54, derde en vierde lid, van de PARTICIPATIEWET, artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW, artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAZ,
het terugvorderen van een ten onrechte verleende uitkering zoals neergelegd in paragraaf 6.4 van de PARTICIPATIEWET, paragraaf 5 van de IOAW, paragraaf 5 van de IOAZ.
Hoofdstuk
Artikel 1.