Het college besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde
uitkering indien:
de belanghebbende in verband met het tot stand komen van een minnelijke schuldenregeling hiertoe een verzoek doet, en
de belanghebbende te goeder trouw is bij het onbetaald laten van zijn schulden, en
redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en
redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in beleidsregel 8 onder b. bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en
de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
Hoofdstuk
Artikel 7.