**1..** Het Bibob-onderzoek start met een eigen Bibob-onderzoek door het bestuursorgaan.
**2..** Het Bibob-onderzoek naar het zich voordoen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet bestaat uit:
het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking, dan wel het beoordelen van een reeds verleende beschikking of een (voorgenomen) vastgoedtransactie, of (gunning van) een overheidsopdracht en de daarbij overgelegde gegevens, mede aan de hand van de bij het bestuursorgaan bekende feiten en omstandigheden; en
het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie die, al dan niet door middel van de gegevens zoals vermeld in het Bibob-vragenformulier en bijbehorende bijlagen, is verstrekt door de betrokkene, alsmede van gegevens die zijn verkregen uit informatiebronnen van de partners van het RIEC en andere bronnen die het bestuursorgaan volgens de wet kan raadplegen.
**3..** Bij het eigen onderzoek kan in alle gevallen waarin volgens deze beleidsregel een Bibob-onderzoek zal of kan worden uitgevoerd, ingevolge artikel 11 a, eerste lid, van de wet informatie worden betrokken van het Bureau over door het Bureau in de afgelopen vijf jaar door het Bureau en/of andere bestuursorganen genomen relevante gevaarsconclusies.
Daarbij wordt informatie verstrekt over zowel de betrokkene als relaties van betrokkene:
de direct of indirect leidinggevende van betrokkene;
de direct of indirect zeggenschaphebbende van betrokkene;
de direct of indirect vermogensverschaffer van betrokkene;
degene die op de (aanvraag om de) beschikking is of zal worden vermeld als
leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager;
degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene.
**4..** Indien het eigen Bibob-onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar, zoals vermeld in artikel 3 van de wet, kan ingevolge artikel 9 van de wet advies worden ingewonnen bij het Bureau.