In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet gelden de termijnen zoals gesteld in het eerste tot en met het vierde lid:
De voorlopig gevorderde bedragen en het definitief gevorderde bedrag moeten tegelijk worden betaald met en op dezelfde wijze als die waarop de voorschotnota’s en de eindafrekeningsnota van het waterbedrijf moeten worden betaald.
De door de gemeente rechtstreeks opgelegde aanslagen moeten worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
Wanneer door belastingplichtige toestemming is verleend voor automatische incasso, moet de aanslag, als bedoeld in het tweede lid, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 5.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 10
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023