Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1

Criteria maatwerkvoorzieningen

Onderdeel van Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2023

Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van: zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger (respijtzorg), het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; beschermd wonen en opvang. Het is aan de gemeente om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. De gemeente ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer. De wet doet een beroep op de eigen kracht en eigen mogelijkheden van ingezetenen. Het uitgangspunt van de wet is dat mensen langer thuis blijven wonen met waar mogelijk hulp van hun eigen sociale netwerk en zo nodig aanvullende ondersteuning vanuit de gemeente. Voordat er een beroep wordt gedaan op publiek gefinancierde voorzieningen moeten eerst de eigen kracht en het sociale netwerk worden aangesproken. Zoals vermeld in artikel 5.1 van de verordening betekent dit dat een maatwerkvoorziening pas aan de orde kan zijn als de cliënt zijn beperkingen of problemen niet kan verminderen of wegnemen met behulp van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen. In elke afzonderlijke situatie beoordeelt de consulent de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt. Dit doet de consulent niet door de beperking als uitgangspunt te nemen, maar door juist te kijken naar wat de cliënt zelf en/of met hulp van zijn sociaal netwerk wel kan. Dit hangt onder andere af van het type ondersteuning dat wordt gevraagd en van de draagkracht van het sociaal netwerk. De gemeente verwacht van de cliënt dat hij de consulent actief informeert over personen uit zijn sociaal netwerk en wat deze personen voor hem kunnen betekenen op het gebied van zorg en ondersteuning. De consulent probeert de cliënt ook te ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub a. Eigen kracht Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Eigen kracht is ook: het bevorderen van herstel (gebruik maken van behandelmogelijkheden); een beroep doen op andere wetten; een beroep doen op de aanvullende verzekering. Primair stimuleert de gemeente de cliënt zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Daarvoor kijkt de consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, zijn talenten en vaardigheden, zingeving in combinatie met zijn directe omgeving. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub b. Gebruikelijke hulp De consulent beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt de normale, dagelijkse hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten verstaan. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc. De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Daarbij is het CIZ-protocol2Zie de CIZ-indicatiewijzer, versie 7.1, juli 2014. richtinggevend. In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken. Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een huishouding gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden) en dat ook alleenstaanden een huishouden voeren naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.). Dit betekent dat als diegene die gewend is het huishoudelijke werk te doen, hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder. Wanneer er gebruikelijke hulp van een gezond kind wordt verwacht, moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Er moet rekening mee worden gehouden dat een kind geen vervanger is ten aanzien van huishoudelijke taken, maar dat zijn of haar hulp kan leiden tot een vermindering van een eventuele indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. De beleidsregels ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen bij verschillende leeftijden in het huishouden: Kinderen van 0 tot 5 jaar: leveren geen bijdrage aan het huishouden. Kinderen van 5 tot 12 jaar (naar eigen mogelijkheden): kunnen helpen met opruimen; kunnen helpen met tafel dekken en tafel afruimen; kunnen helpen met de vaatwasser in- en uitpakken of afwassen en afdrogen; kunnen een boodschap doen; kunnen hun eigen kleding in de wasmand doen. Kinderen van 12 tot 18 jaar: kunnen dezelfde taken als kinderen van 5 tot 12 jaar verrichten; kunnen hun eigen kamer opruimen; kunnen hun eigen kamer stofzuigen; kunnen hun eigen bed verschonen. Jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar: kunnen taken behorende tot een eenpersoonshuishouden verrichten. Artikel 5.1 , eerste en tweede lid, sub c. Mantelzorg Mantelzorg is meer dan alleen de alledaagse zorg voor elkaar. Iemand is mantelzorger als hij iemand lange tijd (meer dan drie maanden) – onbetaald – veel (meer dan acht uur per week) zorg geeft3Zie voor definitie mantelzorg rapport Sociaal en Cultureel Planbureau ‘Informele hulp: wie doet er wat?’ Kerncijfers, pagina 3, december 2015.. Deze zorg is meer dan men normaal gesproken van elkaar kan verwachten. Gebruikelijke hulp valt niet onder mantelzorg. Gebruikelijke hulp of zorg is de dagelijkse zorg die huisgenoten (de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten) elkaar bieden omdat zij samen het huishouden voeren. Daar zijn zij samen verantwoordelijk voor. Mantelzorg betreft ondersteuning voor een naaste ten behoeve van diens zelfredzaamheid en participatie, die qua omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp overstijgt en die rechtstreeks voortkomt uit de sociale relatie tussen personen. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De ondersteuning is vrijwillig, maar voelt voor de betrokkenen vaak als vanzelfsprekend. Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Om hier meer inzicht in te krijgen kan de consulent gebruik maken van bijlage 1 ‘Onderzoeken van (dreigende) overbelasting’ en de EDIZ vragenlijst ‘Erkende Druk door Informele Zorg’. Ook kan medisch of ander deskundig advies worden ingewonnen door de consulent. Als de belastbaarheid te gering is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Als dit de mantelzorger niet voldoende ontlast, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het (op termijn) in stand houden van de mantelzorg. Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan gebeuren in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf. De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. Een manier om dit te doen kan het bieden van kortdurend verblijf zijn. Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening en dient ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en vervangt niet het wonen in een instelling. Sommige zorgverzekeraars vergoeden vormen van respijtzorg geheel of gedeeltelijk vanuit de aanvullende verzekering. Wmo 2015 De doelgroep die in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf ter ondersteuning van de mantelzorger bestaat uit: cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, die niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, en die worden ondersteund door een mantelzorger die tijdelijk ontlast moet worden. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub d. Sociaal netwerk Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d. Artikel 5, eerste en tweede lid, sub e. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een zaak of een dienst is algemeen gebruikelijk als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie, en; de zaak of dienst voor de persoon als aanvrager algemeen gebruikelijk kan worden geacht. Het college dient te beoordelen of op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (als aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (RBARN:2012:XBX8032 en CRVB: 2018:1250). Bij de structurele kosten van bijvoorbeeld een boodschappendienst kan nog steeds worden gesproken van een algemeen gebruikelijke dienst die voorliggend is op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Dat geldt ook voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB: 2018: 2182 en CRVB:2018:3093). Zie voorts bijlage 2 voor een niet-limitatieve lijst aan algemeen gebruikelijke voorzieningen. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub f. Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en waarvoor geen beschikking nodig is. Dit kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart. De gemeente kent een aantal algemene voorzieningen zoals het maatschappelijk werk en de thuisadministratie, die door Wijkracht Borne wordt uitgevoerd. In de verordening is opgenomen dat deze voorzieningen niet vallen onder het abonnementstarief. Er kan wel een bijdrage in de kosten worden gevraagd voor het gebruik van een algemene voorziening. Was- en strijkservice is beschikbaar voor alle inwoners van de gemeente Borne. Voor cliënten bij wie middels onderzoek is vastgesteld dat zij zelf niet meer in staat zijn om zorg te dragen voor de taken ten aanzien van de was geldt dat zij gebruik kunnen maken van de was- en strijkservice tegen een gereduceerd tarief. Hierbij geldt dat cliënten maximaal 2 waszakken per week tegen het gereduceerde tarief kunnen gebruiken. Waar nodig kan hiervan worden afgeweken. De gereduceerde kosten voor een waszak zijn vastgesteld aan de hand van het Nibud en komen overeen met de kosten die gemaakt worden voor water, elektra, wasmiddel , afschrijving van de wasmachine en dergelijke. Groepsgerichte begeleiding (dagbesteding). Inwoners die hieraan deelnemen betalen een bijdrage voor gebruik van koffie, thee, lunch en waar van toepassing materiaalkosten. Vrijwillige vervoersdienst.. Inwoners die gebruik maken van deze service geboden door vrijwilligers betalen hun chauffeur een vergoeding per kilometer en eventuele parkeerkosten. Dit komt overeen met de kosten die de inwoner zou maken bij het gebruik van eigen vervoer. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g. Andere voorzieningen De gemeente draagt zorg voor afstemming met andere voorzieningen. Andere voorzieningen zijn in dit geval: Afstemming met gezondheidszorg De gemeente maakt afspraken met zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om te komen tot een integrale dienstverlening en te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijk kader. Als de cliënt dit wenst, zorgt de gemeente ervoor dat de cliënt ondersteund wordt richting het CIZ als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Afstemming met Veilig thuis Twente De gemeente heeft afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. Deze afspraken zijn in 2018 vastgelegd in Samenwerkingsafspraken gemeente Borne en Veilig Thuis Twente. Afstemming met jeugdhulp De gemeente zorgt voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet. Tevens zorgt de gemeente voor de continuïteit van ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen De gemeente zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen– te verkrijgen. Artikel 5.1 derde lid (nadere regels) De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 maakt onderscheid in de volgende maatwerkvoorzieningen: diensten; hulpmiddelen; woningaanpassingen; en andere maatregelen. Gemeente Borne hanteert daarbij het volgende beleid: Ad 1. Diensten Huishoudelijke ondersteuning De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning (hierna: HO) wordt ingezet als een persoon niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijke hulp. Het resultaat leefbaar huis wordt hiermee bereikt. Onder leefbaar huis wordt verstaan dat een persoon gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en de gang. Het huis dient zodanig leefbaar te zijn dat geen vervuiling plaatsvindt en zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van een leefbaar huis wordt gerealiseerd. A.Modules De maatwerkvoorziening HO bestaat uit zes modules met elk een eigen resultaat. De zes modules zijn: basismodule; module extra hygiëne; module wasverzorging; module regie; module maaltijdverzorging; module zorg voor minderjarige kinderen. De basismodule en de aanvullende modules zijn nader uitgewerkt in bijlage 3 ‘Basismodule en aanvullende modules’. Iedere module heeft zijn eigen resultaat en een eigen maximum norm. Op basis van de persoonlijke situatie van de persoon wordt vastgesteld welk deel van de activiteiten een persoon zelf of met hulp van zijn netwerk kan uitvoeren en welk deel wordt overgenomen door de zorgaanbieder. De werkzaamheden die de persoon zelf of met behulp van zijn netwerk kan verrichten worden niet overgenomen door de zorgaanbieder. De gemeente bekijkt, samen met de inwoner, welke ondersteuning noodzakelijk is in het huishouden. De gemeente informeert hierover de zorgaanbieder. Voortzetten ondersteuning na overlijden van huisgenoot Wanneer de persoon overlijdt kan de huisgenoot die achterblijft huishoudelijke ondersteuning blijven ontvangen gedurende tenminste één volledige kalendermaand, met dien verstande dat dat deze termijn afloopt op de laatste dag van de volle opvolgende maand. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot de tijd om de ondersteuning op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie, na onderzoek van de gemeente, op zijn naam te kunnen laten zetten. Sanering woning Indien door ernstige vervuiling een sanering van de woning noodzakelijk is om een hygiënische en werkbare situatie te creëren, kan voorafgaande aan de inzet van de huishoudelijke ondersteuning de woning worden gesaneerd. De kosten worden in rekening worden gebracht bij de cliënt. Aanleren huishoudelijke activiteiten Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of geen ‘huishoudelijke werkzaamheden willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor maximaal acht weken ondersteuning voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. B.Begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 van de wet). Het bieden van groepsondersteuning is een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs. Huiswerkbegeleiding en begeleiding in relatie tot werk valt niet onder de Wmo 2015. Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan: eten; medicatie gebruik; drinken; in en uit bed komen, in stoelen gaan zitten en weer opstaan; bewegen, lopen, verplaatsen; ontspanning; zinvolle activiteit, invulling van de dag, tijdsbesteding etc.; aan- en uitkleden; gesprek voeren; toiletgang; lichaamswarmte regelen (bv. kachel hoger/lager kunnen zetten, bijbehorende kleding uitkiezen); lichamelijke hygiëne; deelname aan het maatschappelijk verkeer; sociale vaardigheden; sociale redzaamheid; deelname aan de samenleving; huishouden. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Cliënten die zijn aangewezen op begeleiding en/of groepsondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera); probleemgedrag (gedragsproblemen); psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving); geheugen en oriëntatie. Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden wordt niet geïndiceerd op basis van de termen van begeleiding en groepsondersteuning maar in de ondersteuningsbehoeften van de cliënt met een bijbehorend niveau. Hiermee wordt duidelijk welk resultaat met de ondersteuning moet worden bereikt. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het college wonen en verblijf verstrekken als vervanging van thuis. Denk aan kortdurend verblijf. Ondersteuningsbehoeften en niveaus Er zijn twee ondersteuningsbehoeften met elk drie niveaus. Het niveau is gebaseerd op kenmerken van de cliënt en het cliëntsysteem. Dat betekent dat ook personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen. Dat wil zeggen zowel in positieve als ook in negatieve zin. Elke ondersteuningsbehoefte is gebaseerd op tijd. Het college maakt daarom ook een inschatting van de omvang en de duur van de ondersteuning. De omvang van de ondersteuning wordt vermenigvuldigd met de prijs. Op deze manier wordt het budget bepaald dat de aanbieder maximaal kan declareren voor het bereiken van het resultaat. De aanbieder declareert op basis van de ondersteuningsbehoefte en het niveau dat door het college is vastgesteld. De declaratie voor individuele ondersteuning is gebaseerd op minuutprijzen en de groepsondersteuning is gebaseerd op een prijs per dagdeel (4 uur). Ondersteuningsbehoefte 1 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt of het cliëntsysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt/ cliëntsysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is een hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorende niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald wat door de aanbieder moet worden bereikt. Er kunnen meerdere resultaten binnen ondersteuningsbehoefte 1 of 2 worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat ondersteuningsbehoefte 1 en 2 bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden verstrekt. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat deze methodisch moet zijn, gericht op: het structureren van de dag, praktische ondersteuning en het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de cliënt bevorderen. Groepsgerichte ondersteuning bestaat uit een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs. Vervoer Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt daar ook feitelijk gebruik van kan maken. De cliënt die niet in staat is om zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de groepsondersteuning te bereiken of zelfstandig al dan niet met hulp van anderen, van en naar locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt of er een noodzaak bestaat het verstrekken van vervoer naar de groepsondersteuning op basis van artikel 5.1, derde lid, van de verordening. C.Kortdurend verblijf en respijtzorg Het doel van deze maatwerkvoorziening is het bieden van ondersteuning aan mantelzorger(s) door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van degene die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet dan ook zijn dat de mantelzorger wordt ontlast waardoor de persoon langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. Een belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf is dat de persoon geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn of haar zorgverzekering. Omvang De omvang van kortdurend verblijf is maximaal drie etmalen per week. Dit maximum is gesteld, omdat er sprake is van logeren. Bij verblijf van meer dan drie etmalen in de week in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Dit neemt niet weg dat in de praktijk kortdurend verblijf kan worden geïndiceerd voor een aaneengesloten periode van twee of drie weken, ter ontlasting van de mantelzorger of de thuissituatie. Bij de zorgaanbieder waar de persoon kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Het kortdurend verblijf omvat in iedere geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. Kortdurend verblijf is geen integrale voorziening. De maatwerkvoorzieningen Begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) dienen apart te worden geïndiceerd. Als richtlijn voor de Begeleiding wordt uitgegaan van twee dagdelen per etmaal. Indien verpleging of persoonlijke verzorging noodzakelijk is, dient hiervoor een indicatie op basis van de Zorgverzekeringswet te worden verkregen. Kortdurend verblijf bestaat uit de volgende onderdelen: Dakje 1 Dit dakje heeft betrekking op zowel de jeugdhulp als op de Wmo. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Het gaat om vervanging van de thuissituatie in een professionele 24 uur-setting. Er is iemand aanwezig op de momenten dat de persoon dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Kenmerken van de inwoner De inwoner functioneert sociaal redelijk zelfstandig. Voor zijn sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met name toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven. De inwoner heeft ten aanzien van de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. Het kan gaan om bijvoorbeeld kortdurend verblijf, respijtzorg. Ondersteuningsbehoeften Dit dakje kan aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan Wonen en Verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften. De inzet in beide modules vindt plaats in onderlinge afstemming. Dakje 2 Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is sprake van 24 uurs actief toezicht. Kenmerken van de inwoner De inwoner vertoont onvoorspelbaar gedrag. Er is een gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Er is sprake van gedragsproblematiek. Het gaat hierbij om inwoners met LVB problematiek. De inwoner heeft veel sturing, regulering en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag met betrekking tot interactie. Op het gebied van sociale redzaamheid hebben de inwoners vaak hulp en soms overname nodig, zij kunnen taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Ten aanzien van het psychosociaal/ cognitief functioneren hebben inwoners af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken, de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken. Ten aanzien van mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Huisvesting De huisvesting is passend bij het gedrag van de cliënt, dit betekent dat het een veilige omgeving is voor de cliënt en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de cliënt is op een fysiek goede manier geregeld. Hiermee bedoelen we dat de locatie zo is gebouwd / vormgegeven dat er goed toezicht gehouden kan worden, met als doel de veiligheid te bewaken. Denk bijvoorbeeld aan: voldoende ramen / vensters vanaf de hal etc. zodat zichtbaar is wat er gebeurt. Ondersteuningsbehoeften Dit dakje kan aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan Wonen en Verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften. De inzet in beide modules vindt plaats in onderlinge afstemming. Consultatie Consultatie betreft het inschakelen van de expertise van een aanbieder en wordt alleen ingezet voor een goede vraagverheldering en/of voor het volledig gevuld krijgen van het afsprakenoverzicht. Inzet van consultatie leidt niet automatisch tot inzet van ondersteuning. Consultatie betreft een kort contact, waarbij de cliënt niet (per definitie) wordt gezien. Veelal mondeling/telefonisch contact of middels mailcontact. Het contactmoment dient te worden geregistreerd in de contactregistratie. Afstemming tussen aanbieder, inwoner en gemeente op casusniveau als er al sprake is van ondersteuning maakt geen onderdeel uit van de module consultatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een telefoontje tussen aanbieders en gemeente en de samenwerking op casusniveau, zoals bijwonen van multidisciplinaire overleggen, evaluatie, voorbespreking in te zetten hulp en overdracht. Ad 2. Hulpmiddelen Rolstoelvoorziening Algemeen Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen: handmatig voortbewogen rolstoel; elektrisch voortbewogen rolstoel; aanpassingen aan de rolstoel. Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden: de persoon ervaart belemmeringen in het zich verplaatsen in en om woning, die niet afdoende opgelost kunnen worden op eigen kracht of met behulp van een algemene gebruikelijke of algemene voorziening; de voorziening is langdurig noodzakelijk. Dit betekent langer dan zes maanden. De tijdelijk uitleenmogelijkheden moeten zijn benut. bij incidenteel gebruik wordt onderzocht wat de daadwerkelijk behoefte is. Afhankelijk van de behoefte wordt een rolstoelvoorziening verstrekt. Programma van eisen Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op. Vorm Zorg in natura Indien de rolstoelvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt de rolstoel in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of een rolstoelvoorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. De gemeente maakt hierbij een voorbehoud in het geval sprake is van een pgb-verstrekking. In dat geval zijn de kosten voor onderhoud en verzekering voor rekening van de cliënt. Bij de verstrekking van een rolstoelvoorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: de persoon dient de voorschriften zoals deze door de fabrikant of leverancier zijn bijgeleverd met betrekking tot het gebruik, de bediening en het onderhoud van het hulpmiddel stipt na te komen; de persoon dient een door gemeente aangewezen (rechts)persoon in de gelegenheid te stellen de voorziening tijdig te controleren, onderhouden, keuren en te repareren; de persoon dient de gemeente direct te informeren als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt; de persoon dient de gemeente dan wel de leverancier onmiddellijk te informeren over schade aan het hulpmiddel alsmede over aan anderen toegebrachte schade door gebruik van het hulpmiddel; de persoon dient goed voor het hulpmiddel te zorgen en er voor te zorgen dat de normale levensduur gewaarborgd wordt; de persoon mag het hulpmiddel niet aan derden in gebruik geven of verhuren; de persoon mag het hulpmiddel alleen gebruiken voor het doel waarvoor het verstrekt is; de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing; bij een wijziging in de situatie dient de persoon de gemeente te informeren. Persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een rolstoel die de persoon zou hebben ontvangen als de rolstoel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur. Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor rolstoelvoorzieningen kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: het toegekende bedrag mag alleen worden aangewend voor de aanschaf van een adequate voorziening, op basis van een door of namens de gemeente vastgesteld pakket van eisen; de gebruiksduur van de aan te schaffen voorziening kan door de gemeente worden vastgesteld op een met een natura voorziening vergelijkbare gebruikstermijn; bij gebruikmaking van het persoonsgebonden budget dient een onderhouds- en servicecontract afgesloten te worden met een leverancier voor minimaal de in de beschikking genoemde periode; bij gebruikmaking langer dan de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening en bekostigd door de cliënt; de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen hulpmiddelen dienen het GO-en CE-kwaliteitskeurmerk te hebben; na aanschaf van de voorziening met het persoonsgebonden budget dient een kopie van de aankoopnota en het betalingsbewijs alsmede de facturen voor onderhoud te worden overlegd. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5) Aanpassing rolstoel Met aanpassingen worden bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van de thuiszorgwinkel. Sportrolstoel Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Indien een persoon vanwege zijn beperkingen zonder een sportrolstoel niet kan sporten, dan kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel worden verstrekt. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2002:AF5074 geoordeeld dat aan de sportrolstoel blijkens de parlementaire geschiedenis een bijzondere plaats toekomt. Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel gelden de volgende voorwaarden: de persoon dient aan te tonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening, door bijvoorbeeld een bewijs van lidmaatschap van de sportvereniging of facturen waaruit dit blijkt; de persoon dient aan te tonen dat het zonder sportrolstoel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten voor het sportrolstoel aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bij een eventuele verstrekking wordt hier rekening mee gehouden; Om in aanmerking te komen voor een nieuwe sportrolstoel is de technische levensduur van de sportrolstoel is bepalend: zodra de technische levensduur ten einde is, bestaat er een mogelijkheid voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een nieuwe sportrolstoel. Vervoersvoorzieningen Algemeen De vervoersvoorzieningen worden geleverd door de leveranciers waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente. Afhankelijk van de vervoersbehoeften van de persoon zal een passende maatwerkvoorziening worden vastgesteld. Gemeente Borne kent de volgende vervoersvoorzieningen: aanvullend openbaar vervoer; scootmobiel; driewielfiets; andere vervoersvoorzieningen; autoaanpassingen; overige vervoersvoorzieningen. Reikwijdte Binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen alleen de lokale en regionale vervoersbehoeften van de persoon. Uit jurisprudentie blijkt dat een persoon, om te kunnen participeren, de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 15 tot 20 kilometer afstand vanaf de woning van de persoon) 1500 tot 2000 kilometer moet kunnen reizen. Alle bovenregionale vervoersbehoeften vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor wordt door het rijk bovenregionaal vervoer georganiseerd. Gemeente Borne hanteert hierbij de ondergrens van 1500 kilometer per kalenderjaar. Aanvullend openbaar vervoer Het college heeft in 2019 nadere regels vastgesteld voor het aanvullend openbaar vervoer en nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder). Deze nadere regels zijn nog steeds van toepassing en zijn in bijlagen 4 en 5 opgenomen. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Gemeente Borne gaat bij het toekennen van een scootmobiel uit van het meest eenvoudige model, waarbij de actieradius en snelheid is beperkt. De scootmobiel is met name bedoeld voor de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving. Om door de gemeente zelfstandig te rijden is het meest eenvoudige model meer dan voldoende voor het bieden van dagelijkse vrijheid. Een dergelijk eenvoudig model is daarmee aanzienlijk voordeliger in de kosten van aanschaf. Dat een gezonde partner/kind naast de cliënt wil fietsen, is geen reden om een scootmobiel met een hogere snelheid te verstrekken. Indien een cliënt dat wenst, hij zelf voor eigen kosten een zwaardere accu kan kopen bij de leverancier, mits de leverancier dat akkoord vindt. Bij de beoordeling worden o.a. de volgende punten bekeken: Kan cliënt zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer? Kan cliënt zelfstandig fietsen? Is cliënt (of het gezin) in bezit van een auto? Indien de met de auto aan de vervoersbehoefte voldaan kan worden is dat een reden om niet in aanmerking te komen voor een scootmobiel Vervoersbehoeften: waar wil de cliënt naartoe reizen en met welk doel. Is cliënt in staat om veilig zelfstandig deel te nemen aan het verkeer? Is cliënt in staat zelfstandig en veilig de scootmobiel te rijden? Zo nodig kunnen maximaal drie gewenningslessen worden vergoed vanuit de gemeente; De voorziening is langdurig noodzakelijk? Kan de scootmobiel gestald worden? De stallingsplek moet overdekt zijn en er moet een oplaadpunt zijn. Stalling Om in aanmerking te komen voor een scootmobiel of een driewielfiets (met trapondersteuning) dient er een adequate stallingsmogelijkheid te zijn. Voordat een scootmobiel of een driewielfiets wordt verstrekt dient duidelijk te zijn of de scootmobiel of de driewielfiets tegen weer en wind en diefstal beschut kan worden. Daarnaast dient er sprake te zijn van een stroomvoorziening voor het opladen van de accu. Indien er geen adequate stallingsmogelijkheid te realiseren is, kan de aanvraag voor een scootmobiel worden afgewezen, tenzij de cliënt zelf de aanlegkosten van de stalling en de elektravoorziening voor zijn rekening neemt. Aangepaste fietsen Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Dit zijn voorzieningen die voorzien in de vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding. Om in aanmerking te komen voor een driewielfiets of een andere vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarden: de persoon ervaart beperkingen in de korte en/of middellange afstanden, waardoor hij beperkingen ervaart in het participeren in de samenleving. Deze beperkingen kunnen niet op een andere manier worden opgeheven; de voorziening is langdurig noodzakelijk. Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen worden beoordeeld door de gemeente. Programma van eisen Als er een noodzaak bestaat voor een van deze voorzieningen, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op. Vorm Zorg in natura Indien de voorziening in natura wordt verstrekt, wordt de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. Bij de verstrekking van een voorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: de persoon dient de voorschriften zoals deze door de fabrikant of leverancier zijn bijgeleverd met betrekking tot het gebruik, de bediening en het onderhoud van het hulpmiddel stipt na te komen; de persoon dient een door gemeente aangewezen (rechts)persoon in de gelegenheid te stellen de voorziening tijdig te controleren, onderhouden, keuren en te repareren; de persoon dient de gemeente direct te informeren als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt; de persoon dient de gemeente dan wel de leverancier onmiddellijk te informeren over schade aan het hulpmiddel alsmede over aan anderen toegebrachte schade door gebruik van het hulpmiddel; de persoon dient goed voor het hulpmiddel te zorgen en er voor te zorgen dat de normale levensduur gewaarborgd wordt; de persoon mag het hulpmiddel niet aan derden in gebruik geven of verhuren; de persoon mag het hulpmiddel alleen gebruiken voor het doel waarvoor het verstrekt is; de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing; bij een wijziging in de situatie dient de cliënt de gemeente te informeren. Persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een vervoersvoorziening die de persoon zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur. Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: het toegekende bedrag mag alleen worden aangewend voor de aanschaf van een adequate voorziening, op basis van een door of namens de gemeente vastgesteld pakket van eisen; de gebruiksduur van de aan te schaffen voorziening kan door de gemeente worden vastgesteld op een met een natura voorziening vergelijkbare gebruikstermijn; bij gebruikmaking van het persoonsgebonden budget dient een onderhouds- en servicecontract afgesloten te worden met een leverancier voor minimaal de in de beschikking genoemde periode; bij gebruikmaking langer dan de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening; de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen hulpmiddelen dienen het GO-en CE-kwaliteitskeurmerk te hebben; na aanschaf van de voorziening met het persoonsgebonden budget dient een kopie van de aankoopnota en het betalingsbewijs te worden overlegd; de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5) Autoaanpassing Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het aanvullend openbaar vervoer of een andere vervoersvoorziening niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed. De gemeente hanteert naast de algemene criteria, de volgende criteria om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een autoaanpassing: het gebruik van de eigen auto is nodig voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving en collectief lokaal vervoer is geen passende oplossing; de persoon of ouder/verzorger van een jeugdige waar de autoaanpassing voor bestemd is, is eigenaar en/of bestuurder van de auto; er is sprake van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden; een autoaanpassing is de goedkoopst adequate oplossing; de te maken kosten van de autoaanpassing zijn in relatie tot de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto nog verantwoord. De aanvrager dient aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 5-7 jaar mee kan). Bij twijfel moet dit door middel van een technische autokeuring vastgesteld worden en daarvan dient een technisch keuringsrapport worden overlegd. een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een airco, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de persoon wordt verwacht dat hij bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden. de afstand van het vervoer. De gemeente heeft een compensatieplicht voor een afstand conform het lokaal collectief vervoer (20 km vanaf de woning). Indien de persoon als gevolg van zijn beperkingen pas klachten krijgt na het rijden van langere afstanden wordt hiervoor geen voorziening verstrekt. Overige vervoersvoorzieningen Onder overige vervoersvoorzieningen valt de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, een taxi, een rolstoeltaxi of een bruikleen auto. Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een overige vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarde: de persoon kan hier aanspraak op maken als, gezien zijn beperkingen, andere vervoervoorziening geen adequate oplossing bieden in zijn vervoersbehoefte. Vervoer naar dagbesteding De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de aanbieder van de dagbesteding. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige. Vervoer naar kortdurend verblijf De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige. Begeleiding van vervoer Als de inwoner dat wenst kan één medereiziger voor hetzelfde tarief als dat de inwoner betaalt mee reizen. Deze kosten worden bij de inwoner in rekening gebracht, zodat de inwoner, als hij dat wenst zelf de kosten kan delen. De inwoner dient bij de reservering aan te geven of hij hiervan gebruik wenst te maken. Het meenemen van (Huis)dieren (hulphond4Hulphonden zijn professioneel opgeleide honden die mensen met een beperking helpen bij meer vrijheid en een zelfstandiger leven.). Een hulphond of blindengeleidehond biedt de reiziger hulp vanwege de beperking die de reiziger heeft. Hij mag altijd gratis mee. Voorwaarde is wel dat de reiziger dit doorgeeft bij de boeking van de rit. Kinderen tot en met 11 jaar mogen niet met het aanvullend openbaar vervoer reizen zonder begeleiding. Voor kinderen jonger dan 12 jaar met een Wmo-indicatie geeft de gemeente ook een indicatie af voor verplichte/medische begeleiding. Voor een aanvraag voor kinderen worden de geldende openbaar vervoertarieven gehanteerd. Door de gemeente wordt hiervoor een nadere opdracht gegeven aan de vervoerder. Ad 3. Woningaanpassingen Algemeen Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken. De gemeente onderscheidt de volgende woonvoorzieningen: losse woonvoorzieningen; woningaanpassingen; voorziening voor een sanering van de woning in verband met een longaandoening en/of een allergie. Algemene voorwaarden Bij woonvoorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd. De voorwaarden zijn: De voorziening was voorzienbaar, maar waar van de persoon redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; De voorziening is niet algemeen gebruikelijk voor de persoon; Er bestaat geen aanspraak op de voorziening op grond van enige andere wettelijke regeling; De ondervonden ergonomische beperkingen vloeien niet voort uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; Met het treffen van de voorziening is niet gestart voordat op de aanvraag is beschikt; De persoon verblijft niet in of verhuist niet naar een Wlz-inrichting; Het betreft een zelfstandige woonruimte in de gemeente Borne. Normaal gebruik van de woning Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft. Sociale woningbouw Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Zo zal een voorziening voor het gebruik van de kelder of de zolder geweigerd worden. Afweging Indien vaststaat dat een aanpassing van de woning noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden wat in de situatie van de cliënt de meest goedkope en adequate voorziening is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever dat de persoon zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving moet kunnen blijven wonen. Bij voorkeur is dit de eigen woning. Bij met name grote en kostbare woningaanpassingen dient de beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Vaak dient in deze situaties de afweging te worden gemaakt tussen de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen. De gemeente hanteert hierbij geen primaat van verhuizen meer. In iedere situatie afzonderlijk dient een beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Om te bepalen of een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing dan wel in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en inrichtingskosten de meest goedkope en adequate oplossing is, worden de volgende factoren in de belangenafweging: of de ergonomische belemmeringen voldoende kunnen worden opgelost door aanpassingen in de eigen woning. Indien dit niet het geval is, dan is verhuizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige adequate oplossing; of een woningaanpassing (technisch) mogelijk is; of er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen beschikbaar zijn en wat de aanpassingskosten van de huidige versus de nieuwe woonruimte zijn. Dit is op zich geen grond om direct tot een verplichte verhuizing te komen, maar dient altijd in samenhang met de overige aspecten gewogen te worden; met welke snelheid de belemmering in de woning kan worden opgelost. In een aantal gevallen kan verhuizing de belemmering veel sneller oplossen; welke sociale omstandigheden een rol spelen, zoals de nabije aanwezigheid van mantelzorg en aanwezigheid en afstand tot de verschillende voorzieningen in de woonkern (openbaar vervoershalte, winkels, ziekenhuis etc.); wat de woonlastenconsequenties zijn, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de woonlasten van het aanpassen van de huidige woonruimte versus het verhuizen naar een andere woonruimte. Hierbij wordt rekening gehouden met de (hoogte en de duur) van de te ontvangen huurtoeslag; of de bewoner eigenaar of huurder is van de woning en welke consequenties dit heeft, zoals vermogenswinsten of-verliezen of nadelig financieel gevolg van verplichte verkoop van een woning. Verhuizen naar een andere woning zou dan kunnen leiden tot een onbillijke situatie; de mogelijkheid tot hergebruik van de woningaanpassing. Losse woonvoorzieningen Dit zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Losse woonvoorzieningen zijn verplaatsbaar en zijn voor rekening van de cliënt. Woningaanpassing Onder woningaanpassing wordt verstaan een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning. Een bouwkundige ingreep is een verbouwing aan de woning. Een woontechnische ingreep is het aanbrengen van speciale voorzieningen zonder aantasting van het gebouw. Kosten die vergoed worden Bij een woningaanpassing worden de volgende kosten vergoed: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking; het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is (bijv. bij nieuwbouw of uitbreiding), tot een maximum van 2% van de aanneemsom (inclusief btw). de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; het renteverlies en/of de rentekosten, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening. Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden: een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld een woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep; bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland 26-02-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3345, waarbij de rechtbank oordeelde dat een traplift een woonvoorziening is die alleen deugdelijk functioneert en dus compenserend is indien deze regelmatig wordt onderhouden. Indien het aannemelijk is dat de cliënt aangewezen is op de traplift, dan is het college in beginsel gehouden een voorziening te verstrekken voor het onderhoud daarvan. trapliften worden in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen; voor de offertes wordt uitgegaan van het programma van eisen dat door of namens de gemeente is opgesteld; de offertes worden in beginsel door de consulent opgevraagd, waarbij de medewerkers van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht kunnen worden geraadpleegd voor wat betreft een kostenraming voor wat betreft bouwkundige aanpassingen; de hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte; kosten voor verwijderen van woningaanpassingen en herstelwerkzaamheden na het verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo. Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), kan het besluit worden herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen. Vorm Persoonsgebonden budget Indien de woningaanpassing in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend dan gelden de volgende voorwaarden: er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop het persoonsgebonden budget betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente; indien het bedrag meer dan € 1.000,- bedraagt, dan dienen er twee offertes overlegd te worden; aan door de gemeente aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verleend tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; er wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; aan door de gemeente aangewezen personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 1 maand na het toekennen van het persoonsgebonden budget, verklaart de gerechtigde aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); deze gereed melding gaat vergezeld van een verklaring, met onderliggende bewijsstukken, dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorziening is verleend en is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5) Terugvordering De eigenaar van de woning, die een persoonsgebonden budget heeft ontvangen voor een woningaanpassing van minimaal €10.000 en die binnen een periode van tien jaar na het realiseren van de woningaanpassing in eigendom overdraagt, is gehouden om de gemeente hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. Het gesubsidieerde bedrag wordt door de gemeente op basis van onderstaande schema teruggevorderd. Het terug te storten bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaand schema: bij verkoop in het eerste jaar na gereedmelding 100 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het tweede jaar na gereedmelding 90 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het derde jaar na gereedmelding 80 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het vierde jaar na gereedmelding 70 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het vijfde jaar na gereedmelding 60 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het zesde jaar na gereedmelding 50 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het zevende jaar na gereedmelding 40 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het achtste jaar na gereedmelding 30 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het negende jaar na gereedmelding 20 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het tiende jaar na gereedmelding 10 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking. Woningsanering Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning. Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering. In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen vloerbedekking op de volgende wijze: leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100% van het normbedrag leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75% van het normbedrag leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50% van het normbedrag leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25% van het normbedrag leeftijd ouder dan 8 jaar: geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving. Het normbedrag staat voor de goedkoopst compenserende oplossing in natura. Vloerbedekking vervangen vanwege rolstoel Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering. Ad 4. Andere maatregelen Verhuiskosten Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang. Er dient een uitgebreide belangenafweging gemaakt te worden, waarbij alle belangen worden meegenomen. Hierbij kan gedacht worden aan: leeftijd; gezinssituatie; woonsituatie; type woning (incl. eigendom/huur); inschrijving als woningzoekende; aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving; sociaal netwerk; financiële draagkracht op vrijwillige basis. Deze omstandigheden zijn voorbeelden waarmee rekening gehouden kan/moet worden en het betreft dus ook geen limitatieve opsomming. Steeds zullen alle individuele omstandigheden beoordeeld moeten worden. Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van de verhuizing. Ook latere aanvragen worden niet gehonoreerd als tijdens de verhuizing van een adequate naar een inadequate woning duidelijk was dat in de toekomst een beroep zou worden gedaan op maatwerkvoorzieningen/woningaanpassingen (traplift o.a.) Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, b.v. als een cliënt uit de gemeente Borne verhuist naar Almelo is de gemeente Borne verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel