Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.10

Ondergrondse objecten

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Leusden 2023

1.. Ondergrondse objecten worden naast het tracé onder bestaande verharding gelegd. Zij worden niet in doorgaande tracés of onder inritten aangelegd. Bovendien worden zij niet onder fietspaden en onder wegen bestemd voor gemotoriseerd verkeer gelegd. Indien dit niet mogelijk is, kan in overleg met de toezichthouder hiervan worden afgeweken. 2.. De aanbieder draagt er zorg voor dat ondergrondse objecten en alle daarbij horende ingaande en uitgaande kabels en leidingen zo min mogelijk hinder veroorzaken voor de bereikbaarheid van de al in de grond aanwezige kabels en leidingen. 3.. De exacte plaatsbepaling van alle ondergrondse objecten gebeurt in overleg met de toezichthouder. De toezichthouder wordt door de aanbieder in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn bij de daadwerkelijke plaatsing of aanpassing van de ondergrondse objecten. Alle benodigde vergunningen of ontheffingen voor plaatsing of aanpassing van ondergrondse objecten worden op het eerste verzoek aan de toezichthouder en de overige bevoegde personen of instanties ter inzage overhandigd. 4.. Handholes, onder welke benaming dan ook, worden door de aanbieder altijd volledig onder maaiveldniveau aangebracht. Handholes hebben een lengte van maximaal 125 cm en een breedte van maximaal 55 cm. In overleg met de gemeente zijn geringe afwijkingen toegestaan.

Rechtspraak bij dit artikel