Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.7

Ondergrondse ordening en (diepte)ligging

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Leusden 2023

1.. Alle aanbieders gedogen elkaar in de tracé voor kabels en leidingen, zoals deze bij de uitvoering van de werkzaamheden in werkelijkheid blijkt te zijn. 2.. Kabels en leidingen die door de aanbieder blijvend buiten gebruik zijn gesteld en worden aangetroffen in een openliggende sleuf, worden verwijderd, tenzij het college uitdrukkelijk anders heeft bepaald. 3.. Een kabel of leiding die vervangen wordt, wordt verwijderd indien de vervangende kabel of leiding in een ander tracé wordt gelegd. Wanneer later bij werkzaamheden de verlaten kabel of leiding vrij komt te liggen, moet deze door en op kosten van de aanbieder verwijderd worden. 4.. Verlaten leidingen moeten dicht gedammerd of geschuimd worden. 5.. De nieuw te leggen kabels en leidingen mogen de bereikbaarheid van de al in het tracé aanwezige kabels en leidingen en de daarbij behorende voorzieningen niet hinderen. 6.. Om onnodig ruimtebeslag te voorkomen en de ondergrondse ordening beter te structureren, worden te leggen kabels en leidingen zoveel als mogelijk gebundeld met de reeds aanwezige kabels en leidingen van aanbieder. Daarnaast houdt de aanbieder bij de aanleg rekening met mogelijke uitbreidingen in de nabije toekomst om op korte termijn in hetzelfde tracé werkzaamheden te voorkomen. 7.. Kabels en leidingen worden door de aanbieder in het kabel- en leidingentracé aangelegd volgens het door de gemeente aangegeven dwarsprofiel zoals weergegeven in artikel 2.2.8. 8.. De aanbieder legt zijn kabels en leidingen bij voorkeur eerst onder het voetpad, dan het fietspad en dan de rijbaan onder een halfopen verharding. De aanbieder ziet erop toe dat dekking van de kabels en leidingen minimaal 60 cm bedraagt, gemeten vanaf de onderzijde van de verharding exclusief de fundering. 9.. In afwijking van lid 8 geldt voor mantelbuizen onder wegkruisingen dat de dekking ten minste 70 cm bedraagt. 10.. De horizontale afstand van de te leggen kabels en leidingen of ondergrondse objecten tot de riolering en de daarbij behorende voorzieningen bedraagt minimaal 100 cm. Huis- en kolkaansluitingen zijn hiervan uitgezonderd. 11.. In bermen langs rijbanen bedraagt de afstand van de te leggen kabels en leidingen tot de zijkant van de verharding minimaal 100 cm. Indien de berm smaller is dan 100 cm, wordt in overleg met de toezichthouder een andere afstand of nieuw tracé bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel