De heffing als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar een vast bedrag per heffingseenheid.
Het aantal heffingseenheden per belastingjaar bedraagt:
voor het gebruik van een woning, alsmede voor gebruik van een woning met bedrijf aan huis, één heffingseenheid;
voor het gebruik van een niet-woning met minder dan 10 werknemers, één heffingseenheid;
voor het gebruik van een niet-woning met 10 tot en met 25 werknemers, twee heffingseenheden;
voor het gebruik van een niet-woning met 26 tot en met 50 werknemers, drie heffingseenheden;
voor het gebruik van een niet-woning met 51 tot en met 75 werknemers, vier heffingseenheden;
voor het gebruik van een niet-woning met 76 tot en met 100 werknemers, vijf heffingseenheden;
voor het gebruik van een niet-woning met meer dan 100 werknemers, acht heffingseenheden;
Voor het vaststellen van het aantal verschuldigde heffingseenheden als bedoeld in lid 2, wordt uitgegaan van het aantal werknemers op de eerste dag van het belastingjaar.