Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Bijzondere verplichtingen betreffende de houder

Onderdeel van Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie gemeente Veendam 2021

Na de subsidieverlening dient de houder te voldoen aan de navolgende verplichtingen: a.. de houder verleent doelgroeppeuters voorrang bij de plaatsing van peuters op beschikbaar gekomen peuterplaatsen; b.. de houder geeft peuters die woonachtig zijn in de gemeente Veendam voorrang bij plaatsing van peuters op beschikbaar gekomen peuterplaatsen; c.. de inkomensafhankelijke ouderbijdrage is gebaseerd op het door de kinderopvangaanbieder gehanteerde uurtarief en de (gecomprimeerde) VNG-tabel van de kinderopvangtoeslag d.. voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden de meest recente Inkomensverklaringen gebruikt van beide ouders, bij eenoudergezin van de ouder. Bij sterke afwijking van het inkomen of wanneer ouders geen Inkomensverklaringen kunnen overleggen, kan gebruik worden gemaakt van aanvullende documenten zoals een salarisstrook, uitkeringsspecificatie, werkgeversverklaring, verklaring van schuldsanering etc. Uit de documenten dient te blijken dat het inkomen structureel is, en in ieder geval geldt voor de maand voorafgaand aan plaatsing; e.. de houder verschaft op verzoek informatie aan het college, de Inspectie van het Onderwijs, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of aan andere door het college aangewezen instanties; f.. de houder overlegt een financiële verantwoording over de eerste 6 maanden van het jaar waarover subsidie is verleend, voor 1 augustus van datzelfde jaar. Voor de verantwoording wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld format; g.. de houder overlegt zowel de inhoudelijke als de financiële verantwoording van de subsidie voor 1 mei volgend op het jaar waarvoor de subsidie geldt. De verantwoording van de ouderbijdragen maakt hier deel van uit. Voor de eindverantwoording wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld format; h.. de houder voldoet aan alle relevante wettelijke voorschriften die buiten deze subsidieregeling van toepassing zijn; i.. houder levert op maandbasis informatie aan het college met betrekking tot het aantal geplaatste peuters (uitgesplitst naar doelgroep, niet-doelgroep en ouders met en zonder kinderopvangtoeslag) en de gefactureerde ouderbijdragen voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag; j.. onverminderd de bepalingen in de ASV beschikt de houder over onderliggende gegevens en kan deze indien gewenst, binnen een redelijke termijn beschikbaar stellen aan het college. Het gaat daarbij onder meer om: een door de ouders ondertekend contract met daarin de namen, adres(sen) en BSN van ouders; naam, geboortedatum en BSN van de peuters waarop de aanvraag betrekking heeft; een ‘Verklaring geen recht op Kinderopvangtoeslag’ en een Inkomensverklaring van de niet-werkende ouder, voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag; inkomensgegevens van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag middels recente Inkomensverklaringen of een kopie van de definitieve aanslag van de inkomstenbelasting van het voorgaande jaar; indien het gaat om een doelgroeppeuter op een VE-peuterplaats: een bewijs van indicatiestelling voor VE van het Consultatiebureau Jeugd Gezondheidszorg. k.. Indien er wel recht op toeslag is maar geen 8 uur per week omdat er te weinig uren gewerkt wordt, kan er gebruik gemaakt worden van een gesubsidieerde peuterplaats en hoeft er voor een deel van die plaats geen kinderopvangtoeslag te worden aangevraagd. Ouders zullen wel met bewijsstukken moeten kunnen onderbouwen dat er onvoldoende recht op kinderopvangtoeslag is. De houder kan op basis van het aantal gewerkte uren nagaan of er onvoldoende recht op kinderopvangtoeslag is om een gesubsidieerde peuterplaats in te zetten.

Rechtspraak bij dit artikel