De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per perceel per belastingjaar € 140,32.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt per perceel per belastingjaar € 433.61.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, bedraagt per perceel dat wordt gebruikt door:
één persoon € 88,39;
twee personen € 176,78;
drie of meer personen € 265,17; per belastingjaar.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, bedraagt per perceel per belastingjaar voor iedere eenheid van 250 m3 afgevoerd water € 236,45.
Voor de berekening van de belasting als bedoeld in artikel 3 eerste lid, onderdeel d, geldt dat een gedeelte van een eenheid afvalwater als volle eenheid wordt aangemerkt.
Voor de toepassing van het derde lid is beslissend de gebruikssituatie op 1 januari van het belastingjaar of, wanneer de belastingplicht later aanvangt, de gebruikssituatie bij aanvang van de belastingplicht.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt de hoeveelheid afgevoerd water boven 10.250 m3 buiten de heffing gelaten.