Naar hoofdinhoud

Artikel 8.

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren; 2.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de belasting overeenkomstig de aangifte achteraf betaald, uiterlijk voor het einde van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de aangifte heeft plaatsgevonden, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een mobiele telefoon, computer of een apparaat waarvan de functies gelijkgesteld kunnen worden aan die van een mobiele telefoon of computer; 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4.. Een naheffingsaanslag van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a en b, moet worden voldaan op de wijze en binnen de termijn zoals vermeld op de op het motorvoertuig achtergelaten aankondiging van beschikking of de toegezonden acceptgiro.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel