De vergoeding voor (individuele) taxiritten is gebaseerd op de eerder genoemde jurisprudentie waarin wordt gesteld dat cliënt tot 1500 (directe lokale omgeving) tot 2000 km (buiten lokaal) moet kunnen reizen, waarbij in acht wordt genomen dat als cliënt met het reguliere OV of de regiotaxi had kunnen reizen hij ook kosten had gemaakt.
De vergoeding wordt verleend voor het gebruik van een:
(eigen) auto: een bedrag per kilometer gelijk aan 80% van het bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 2 van de geldende ‘Reisregeling Binnenland’;
taxi: een bedrag per kilometer gelijk aan 40% van het maximale bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 1 a onder lid 1 b van de geldende ‘Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer’;
rolstoeltaxi: een bedrag per kilometer gelijk aan 40% van het maximale bedrag per kilometer zoals bepaald in artikel 1 a onder lid 2 b van de geldende ‘Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer’; als het slechts om incidenteel taxigebruik gaat is de regiotaxi hier voorliggend.
De financiële tegemoetkoming voor vervoer wordt in principe voor een periode van twee jaar toegekend. Deze periode kan worden ingekort of verlengd, indien de situatie daar aanleiding toe geeft. In dat geval dient gemotiveerd te worden waarom er voor een langere of kortere periode wordt beschikt. Indien iemand verblijft in een instelling met een Wlz-indicatie is de Wlz voorliggend en kan er geen aanspraak gedaan worden op een financiële tegemoetkoming voor vervoer vanuit de Wmo.
Collectief vervoer versus individueel vervoer
Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf, met hulp van zijn sociale omgeving of met vrijwilligers kan oplossen, wordt allereerst beoordeeld of de regiotaxi een geschikte oplossing biedt alvorens individuele voorzieningen worden overwogen. De regiotaxi is hiermee voorliggend op individuele vervoersvoorzieningen zoals een vergoeding voor gebruik van (individuele service-) taxi of eigen auto. Een individuele voorziening wordt vaak beschouwd als meest wenselijke oplossing, het is echter niet de goedkoopst adequate oplossing.
Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de regiotaxi als collectief vervoer voor de aanvrager niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan de vervoerder, die de regiotaxi verzorgt, gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of kan er een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt.
Vervoersdoeleinden
Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk, maar kan in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs verder dan zes kilometer vanaf de woning) leerlingenvervoer bij de gemeente worden aangevraagd op grond van de verordening leerlingenvervoer.
Als bij vervoer naar werkbeperkingen worden ervaren, moet men hiervoor een beroep doen op de werkgever.
Voor vervoer naar dagbesteding wordt een indicatie voor vervoer doorgegeven aan de instelling, die de begeleiding verleent. Wanneer een cliënt in staat is zelfstandig (openbaar vervoer, eigen vervoermiddel) de dagbesteding te bereiken is dat voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is kan vervoer van en naar de dagbesteding worden toegekend. Het vervoer is in het kader van het samenstellen van het arrangement door de aanbieder een verantwoordelijkheid van de aanbieder.
De gemeente staat het gebruik van de regiotaxi niet toe voor vervoer van/ naar (arbeidsmatige) dagbesteding/ werk.
Voor recreatieve en therapeutische doeleinden (onder andere gericht op ontwikkeling) wordt een voorziening op grond van de Wmo niet verstrekt.
Aangepaste fietsen
Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voormensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht.
Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht (al dan niet tweedehands). Daarom worden deze als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Autoaanpassingen
Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kan het college op basis van medisch advies een auto-aanpassing overwegen.
Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft, die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen.
Faciliteiten die veelal standaard in auto’s zijn ingebouwd komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare portierruiten, rembekrachtiging, een schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, et cetera.
In de Wmo wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal zeven jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn. Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor een autoaanpassing is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat wordt aangetoond door middel van een keuringsrapport dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog zo’n zeven jaar mee kan).
Vervanging van een bestaande autoaanpassing of overzetten naar of aanbrengen in een nieuwe auto is niet vanzelfsprekend. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal eerst in kaart gebracht worden wat de goedkoopst adequate voorziening is.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.1
Artikel 6.1.1
Financiële tegemoetkoming
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2023