Naar hoofdinhoud
De colleges wijzen elk twee leden en twee plaatsvervangende leden uit hun midden aan tot lid van het algemeen bestuur. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de colleges afloopt. De leden van het algemeen bestuur blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop de colleges de nieuwe leden hebben aangewezen. De colleges beslissen zo mogelijk in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de nieuwe leden en de plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur. De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt binnen twee maanden na het ontstaan ervan. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stelt hij de voorzitter, alsmede het college dat hem heeft aangewezen, in kennis.

Rechtspraak bij dit artikel