Personen tussen de 18 en 21 jaar hebben recht op algemene bijstand. Omdat de wetgever van oordeel is dat deze jongeren eerst een beroep moeten doen op hun ouders (zie artikel 1:395a BW) zijn de normen voor deze groep afgeleid van de kinderbijslagbedragen die voor deze leeftijdscategorie gelden. Ook voor de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan dient de jongere tot 21 jaar eerste een beroep te doen op hun ouders.
Soms kunnen jongeren niet altijd een beroep of niet een volledig beroep op hun ouders doen. In die gevallen kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de hogere kosten van het bestaan die zich voordoen, in vergelijking met leeftijdsgenoten. De grondslag hiervan is te vinden in artikel 12 Participatiewet.
4.1.1Doelgroep artikel 12 Participatiewet
Artikel 12 Participatiewet is van toepassing op de volgende groepen jongeren:
- alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar oud;
- gehuwden van wie een of beide partners 18 tot en met 20 jaar oud zijn.
4.1.2Voorwaarden artikel 12 Participatiewet
In artikel 12 Participatiewet zijn voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat overgegaan kan worden tot de verstrekking van bijzondere bijstand. Het gaat om de volgende voorwaarden:
De noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere gaat uit boven de bijstandsnorm en hij kan voor deze kosten geen beroep doen op zijn ouders omdat:
de middelen van de ouders daartoe ontoereikend zijn; of
hij redelijkerwijs zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet ten gelde kan maken, bijvoorbeeld omdat de ouders onvindbaar zijn, zijn overleden of er sprake is van een ernstig verstoorde relatie. In dat laatste geval dient zorgvuldig onderzoek verricht te worden.
Het college heeft een onderzoeksplicht om de noodzakelijke kosten van het bestaan in kaart te brengen. Zo moet bijvoorbeeld onderzocht worden of zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. Over deze zelfstandige huisvesting mogen geen beleidsregels opgesteld worden maar moet in elk geval individueel beoordeeld worden.
Situaties waaraan gedacht kan worden zijn bijvoorbeeld het overlijden van de ouders of indien zij woonachtig zijn in het buitenland, indien het onverantwoord is om langer bij de ouders te wonen, de belanghebbende heeft de zorg voor een of meer kinderen of de belanghebbende woont op de datum van de bijstandsaanvraag al meer dan 12 maanden niet meer op het adres van de ouders.
4.1.3Hoogte van de bijzondere bijstand
De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Van belang is om de hoogte van de noodzakelijke kosten te bepalen. Wel bedraagt de bijzondere bijstand maximaal het verschil tussen de norm voor een 21-jarige (exclusief vakantietoeslag) en de voor de jongere van toepassing zijnde norm.
Eventuele inkomsten van de jongere zelf dienen op zijn basisnorm in mindering gebracht te worden. Inkomsten die het karakter hebben van alimentatie/onderhoudsplicht dienen verrekend te worden.
4.1.4Verhaalsmogelijkheid
Het college van B&W kan de kosten voor bijzondere bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 1:395a BW op de ouders verhalen. In die gevallen waarin dit opportuun is, wordt een verhaalsactie ingesteld.
4.1.5Procedure
Nadat is vastgesteld dat er sprake is van hogere bestaanskosten, bepaalt de consulent of het onderhoudsrecht ten opzichte van de ouders volledig te gelde gemaakt kan worden. Het is hierbij van groot belang dat zorgvuldig gehandeld wordt. Dit betekent dat in het geval van een ernstig verstoorde relatie eerst contact wordt opgenomen met de kwaliteitsmedewerkers om te bepalen welke informatie wel en welke informatie niet gedeeld wordt met de ouders. Blijkt dat de ouder of ouders alle kosten willen dragen, dan wordt geen bijzondere bijstand verleend.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1
Jongeren tussen de 18 en 21 jaar die niet in een inrichting verblijven
Onderdeel van Richtlijnen Bijzondere Bijstand 2023