In de volgende situaties kan er eventueel (aanvullende) bijzondere bijstand verleend worden voor de kosten van de woninginrichting:
personen die uit de crisisopvang komen en opnieuw moeten beginnen.
personen die na langdurig verblijf in een verzorgings- of verplegingshuis weer zelfstandig gaan wonen en onvoldoende middelen hebben.
personen die na een langdurige detentieperiode een zelfstandige woning betrekken.
personen die om medische redenen moeten verhuizen en niet door eigen toedoen buiten de werking van de voorliggende voorzieningen vallen.
personen die vanwege sociale redenen met spoed moeten verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.
Voorliggende voorziening
In het algemeen geldt voor deze kosten dat zoveel mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de Kringloopwinkel.
Verwijzing Volkskredietbank
Wanneer bijstand wordt gevraagd voor woninginrichting zal eerst een doorverwijzing naar de VKB moeten plaatsvinden voor het aanvragen van een lening.
Voor wat betreft de vaststelling van de vorm van de te verstrekken bijzondere bijstand gelden de volgende algemene regels:
Borgtocht bij een geldlening via de kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt.
Bijstand in de vorm van een geldlening.
Bijstand om niet.
Hoogte bijstand en aflossing lening
Uitgegaan moet worden van de noodzakelijk te achten woninginrichting. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand moet het bedrag dat men redelijkerwijs had kunnen reserveren (voorzienbaarheid van de verhuizing) in mindering worden gebracht.
Wanneer er sprake is van een echtscheiding dan wordt de maximaal te verlenen bijzondere bijstand gehalveerd, omdat aangenomen wordt dat de aanvrager aanspraak kan maken op de helft van de boedel.
In het algemeen bedraagt de hoogte van de te verlenen bijstand maximaal 50% van de NIBUD-normen, als genoemd in de tabellen 2.1A en 2.1B onder rij 0 in de Prijzengids 2021-2022.
Een deel van de te verlenen bijstand wordt als lening verstrekt. De hoogte van deze lening wordt bepaald door de aflossingsruimte in het inkomen. Voor personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) bedraagt de aflossingsruimte 5% van de som van de van toepassing zijnde theoretische bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag (aflossingsnorm NVVK).
Het ander deel van de te verlenen bijstand tot maximaal de Nibud-normen wordt als een bedrag ‘om niet’ verstrekt. Achteraf dient dit bedrag te worden verantwoord, omdat het altijd moet gaan om noodzakelijke inrichtingskosten.
Ingeval van kinderen kan per kind € 350,- als een forfaitair bedrag aan bijstand worden verstrekt. Deze vergoeding hoeft niet te worden verantwoord.
Redelijke onkostenvergoedingen worden niet als inkomen meegerekend en tellen daarom niet mee. De aflossingsruimte en de te verlenen bijstand is hoger als een inkomen boven deze norm wordt ontvangen. Het totaal door belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij tenminste blijft beschikken over de beslagvrije voet.
Op grond van artikel 51, 2e lid Participatiewet kunnen de aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de omstandigheden van persoon en gezin.
Personen die vanuit een AZC komen en net hun verblijfstatus hebben.
Als algemene voorwaarde voor het verstrekken van bijstand voor inrichtingskosten wordt gesteld dat deze personen gedurende minimaal 6 maanden gebudgetteerd worden door de VKB, tenzij uit (deskundig) advies blijkt dat andere vormen van begeleiding en ondersteuning voldoende zijn, zoals inhouding op loon en/of uitkering.
Dit houdt in dat minimaal de vaste lasten worden overgemaakt naar betrokken instanties en het restant van de uitkering naar de cliënt.
Voor de betaling van de 1e maandhuur en eventuele administratiekosten wordt vanwege de bijzondere omstandigheden en het ontbreken van de mogelijkheid tot reserveren bijzondere bijstand ‘om niet’ verleend. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de eventueel te verwachten huurtoeslag.
Eerste woninginrichting van jonggehuwden en alleenstaanden
Jonggehuwden en alleenstaanden worden geacht de kosten van eerste woninginrichting zelf te dragen. Hier wordt geen bijzondere bijstand voor verstrekt.
Gezinshereniging
Bij gezinshereniging zal er eerst gekeken worden of de aanvrager reeds een lening ontvangt van de VKB. Is dit inderdaad het geval dan zal voor de overige kosten bijstand om niet verstrekt kunnen worden. De overige noodzakelijke kosten (die niet vallen onder de eerste inrichtingskosten) worden vergoed tot maximaal 50 % % van de artikelprijzen genoemd in de Prijzengids. Mocht er sprake zijn van een andere woning als gevolg van de gezinshereniging dan komen de kosten van eventuele noodzakelijke stoffering opnieuw in aanmerking voor bijzondere bijstand.
Alleenstaande ouders tussen de 18 en 21 jaar
Alleenstaande ouders tussen 18 en 21 jaar kunnen voor de kosten van de verhuizing en de woninginrichting een lening afsluiten bij de VKB wanneer hun norm na de geboorte van het kind wordt aangevuld tot het niveau van een alleenstaande ouder van 21 jaar.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3
Kosten van woninginrichting (100%)
Onderdeel van Richtlijnen Bijzondere Bijstand 2023