**1..** De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders, elk voor zover bevoegd, en op grond van de artikelen 10:1 tot en met 10:6 Awb geven een algemene instructie aan gemeenteambtenaren voor de uitoefening van gemandateerde bevoegdheden, zoals bedoeld in dit mandaatbesluit, waarbij de gemandateerde verplicht is, voordat hij van de gemandateerde bevoegdheden gebruik maakt, met het bestuursorgaan of de verantwoordelijke bestuurder te overleggen, en ter beoordeling voor te leggen of van de gemandateerde bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, indien:
de verwachting is gerechtvaardigd dat de uitoefening van de bevoegdheid grote financiële, juridische of politiek/bestuurlijke gevolgen krijgt of vermoedelijk zal krijgen;
er sprake is van mogelijke strijdigheid met vastgesteld beleid;
niet begrote financiële of andere belangrijke gevolgen zijn te verwachten of anderszins een aanmerkelijk beslag op financiële middelen is te verwachten;
door het nemen van een besluit door de mandataris de schijn van vooringenomenheid of belangenverstrengeling kan worden gewekt;
er twijfel bestaat of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.
**2..** Bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden dienen alle van toepassing zijnde wetten, algemene maatregelen van bestuur, voorschriften, verordeningen, raadsbesluiten, circulaires, aanwijzingen, richtlijnen etc., in acht te worden genomen. Ten aanzien van bevoegdheden die ten laste van de gemeente financiële gevolgen hebben, geldt bovendien dat hierin in de begroting van de gemeente moet zijn voorzien.
**3..** Ook indien niet overeenkomstig het bepaalde in deze instructie is gehandeld, geldt een krachtens mandaat genomen besluit rechtens als een besluit van het desbetreffende bestuursorgaan.
**4..** Het voorgaande met in achtneming van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van deze beleidsregel.