Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.4

Stimuleren van actieve en duurzame vervoerswijzen

Onderdeel van Nota Parkeernormen 2022

De gemeente stimuleert het gebruik van actieve en duurzame vervoerswijzen zoals openbaar vervoer, deelvervoer, fiets en voet. Er kan een reductie op de parkeernorm plaatsvinden indien door de ontwikkelende partij wordt aangetoond dat gebruik wordt gemaakt van duurzame en actieve mobiliteit onderbouwd in een mobiliteitsplan. Een reductie kan alleen worden toegepast indien er in het betreffende gebied en omgeving sprake is van parkeerregulering. Het kan gaan om blauwe zone, betaald parkeren en vergunningenparkeren voor bewoners. In gebieden zonder parkeerregulering is geen sturingsmogelijkheid om eventueel uitwijkgedrag naar omliggende parkeerplaatsen te voorkomen. Het risico voor parkeeroverlast is dan te groot en daarom worden in gebieden zonder parkeerregulering geen reducties toegepast. Onder een mobiliteitsplan wordt in dit geval verstaan een breed en samenhangend pakket van mobiliteitsmaatregelen passend bij de doelgroep van de woningen. Waarbij in ieder geval het gebruik van actieve en duurzame vervoerswijzen voor bewoners wordt gestimuleerd en waarin structureel volwaardige alternatieven voor de eigen auto worden geboden. Het mobiliteitsplan moet in ieder geval ingaan op het aanbieden van deelmobiliteit en het extra ruimte bieden aan lopen en fietsen. In het mobiliteitsplan wordt aangegeven op welke wijze bewoners structureel toegang krijgen tot mobiliteitsopties zoals trein, bus, tram, metro, ov-fietsen, deelauto’s en elektrische scooters. Een reductie kan worden toegepast als bij een woningbouwontwikkeling in gereguleerd parkeergebied structureel aan alle bewoners een commercieel aangeboden deelvervoerconcept ter beschikking wordt gesteld, met een onderbouwde mix van vervoermiddelen. De gemeente vindt verder het stimuleren en faciliteren van actieve mobiliteit vervoer belangrijk voor een leefbare omgeving met gezonde bewoners. Wandelaars en fietsers moeten makkelijk en veilig de woning kunnen bereiken. Ook het beperken van risico op diefstal en beschadiging van fietsen behoort hiertoe. In het mobiliteitsplan moet duidelijk worden gemaakt op welke wijze hieraan wordt ingespeeld. Er zijn 4 reductiefactoren vastgesteld met bijbehorende berekeningsmethode. Als de reductiefactoren worden toegepast dan wordt de parkeernorm verlaagt. Nabijheid OV-knooppunt: Als een woningbouwontwikkeling wordt gerealiseerd binnen 300 meter van een OV-knooppunt wordt de parkeernorm verminderd met 0,1. Dit gebied is aangeduid in bijlage 1. Deelfietsen: Als bij een woningbouwontwikkeling in gereguleerd parkeergebied structureel *) aan alle bewoners commercieel aangeboden bijzondere deelfietsconcepten (zoals bakfietsen) en/of elektrische deelscooters ter beschikking worden gesteld, wordt de parkeernorm met 0,1 verlaagd. De verhouding is 1 commercieel aangeboden deelfiets/deelscooter in plaats van 2 autoparkeerplaatsen. Het benodigde aantal deelfietsen en/of elektrische deelscooters wordt berekend door het aantal woningen te vermenigvuldigen met 0,05. De uitkomst wordt altijd naar boven afgerond. De benodigde stallingsruimte voor de deelfietsen wordt opgeteld bij de reeds benodigde stallingsruimte. Deelauto’s: Als bij een woningbouwontwikkeling in gereguleerd parkeergebied structureel *) aan alle bewoners commercieel aangeboden deelauto’s ter beschikking worden gesteld op geoormerkte deelautoparkeerplaatsen, wordt de parkeernorm met 0,1 verlaagd. De verhouding is één autoparkeerplaats met deelauto in plaats van vier gewone autoparkeerplaatsen. Het benodigde aantal deelauto’s wordt berekend door het aantal woningen te vermenigvuldigen met 0,025. De uitkomst wordt altijd naar boven afgerond. De geoormerkte parkeerplaatsen voor de deelauto’s worden opgeteld bij de parkeereis. Extra fietsparkeerruimte: Als een woningbouwontwikkeling in gereguleerd parkeergebied voorziet in extra fietsparkeervoorzieningen, dan wordt de parkeernorm met 0,1 verlaagd. Deze extra fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd in een centrale afgesloten ruimte op eigen terrein en bedoeld zijn voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten). De collectieve voorziening is eenvoudig en comfortabel bereikbaar vanaf de openbare weg. In de collectieve voorziening wordt tevens rekening gehouden met stallingsruimte voor bijzondere fietsen en scooters, oplaadpunten voor elektrische fietsen, etc… Het minimaal benodigde aantal extra fietsparkeerplaatsen wordt berekend door het aantal woningen te vermenigvuldigen met 0,5. De verhouding is vijf extra fietsparkeerplaatsen in plaats van één autoparkeerplaats. *) dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar De goedkeuring van het mobiliteitsplan en de toekenning van de reductie op de parkeernorm door het college van B&W vindt altijd plaats voorgaand aan de vergunningaanvraag. De gemeente hecht grote waarde aan het feit dat uitvoering van het mobiliteitsplan in de omgevingsvergunning wordt geborgd en dat de onderdelen op basis waarvan reductie is verleend van de parkeernorm ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Bewoners en gebruikers van ontwikkelingen waarvoor geheel of gedeeltelijk reductie is verleend van de parkeereis, hebben geen recht op een parkeervergunning voor parkeren in het openbaar gebied.

Rechtspraak bij dit artikel