Onderhoudskosten worden gemaakt om het object gedurende de levensduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen
Bij onderhoud maken we het onderscheid tussen klein en groot onderhoud:
1. klein onderhoud
Klein onderhoud betreft regelmatig voorkomend onderhoud (kort cyclisch onderhoud) van beperkte omvang. De commissie BBV geeft aan dat de kosten van klein onderhoud in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie komen. Dat geldt ook voor kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud. Deze moeten altijd ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
2. groot onderhoud
Groot onderhoud (lang cyclisch onderhoud) moet de garantie bieden op een technisch goede en oorspronkelijke staat van de objecten tijdens de levensduur.
Levensduurverlengend onderhoud, zoals reconstructies en renovatie, impliceert het intreden van een nieuwe levensfase van een object. Dit is feitelijk geen groot onderhoud, maar zijn daarom investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van betreffend actief.
Voor de wijze van verwerken van de kosten van groot onderhoud: zie de nota reserves en voorzieningen.
Indien de componentenbenadering wordt toegepast is er geen sprake van groot onderhoud, maar van vervangingsinvesteringen.
Uitgangspunten
Alleen de kosten van nieuwe investeringen en het compleet vervangen van bestaande investeringen worden geactiveerd;
In de periodiek te actualiseren beheerplannen wordt duidelijk aangegeven:
wat onder klein onderhoud wordt verstaan en het jaarlijks daarvoor beschikbare exploitatiebudget wordt daarop afgestemd;
wat onder groot onderhoud wordt verstaan. De kosten worden gedekt via een exploitatie budget met eventuele toevoeging via resultaatbestemming aan een daartoe gevormde reserve onderhoud of komen ten laste van een vooraf gevormde voorziening onderhoud.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.9
Activeren versus (groot) onderhoud
Onderdeel van Nota Vaste Activa Gemeente Castricum 2023