**1..** Het college kan beslissen geen voorziening te treffen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet wanneer sprake is van gebruikelijke hulp.
**2..** Ook in het geval er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking behoren ouders de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden.
**3..** De volgende zorgtaken behoren als onderdeel van verantwoordelijk ouderschap in ieder geval tot taken van de ouder(s):
Te allen tijde bereikbaar te zijn voor de jeugdige;
Bij de start en afsluiting van de dag aandacht te geven aan de jeugdige en de dag met hen door te nemen;
Inspectie van locaties waar de jeugdige mogelijk op bezoek of vakantie gaat om te beoordelen of de locatie passend is voor de jeugdige en om de jeugdige voor te kunnen bereiden op het bezoek;
In het geval van ziekte van de jeugdige, vakantie en vrije dagen te zorgen voor de jeugdige, dan wel opvang te regelen;
Zorghandelingen die vervangend zijn voor de normale gebruikelijke hulphandelingen en/of die meelopen in het normale patroon van het gezin en de dagelijkse zorg voor de jeugdige;
De jeugdige leren omgaan met het sociale netwerk;
Begeleiding van de jeugdige naar de huisarts, therapeut, zorgaanbieder, medisch specialist of jeugdarts;
Begeleiding van de jeugdige naar sport, vrijetijdsclub en/of lessen;
Begeleiding van de jeugdige naar en het onderhouden van contact met school of kinderopvang;
Begeleiding van de jeugdige in het normale maatschappelijke verkeer.
**4..** Bij het bepalen van de gebruikelijke hulptaken van de ouder(s) ten aanzien van de jeugdige neemt het college het ‘Referentiekader ten aanzien van gebruikelijke hulp’ en de CIZ-indicatiewijzer (2014) als leidraad. Het referentiekader is als bijlage bij deze nadere regels opgenomen.
**5..** Onverminderd de voorgaande bepalingen wordt van de ouder(s) geen gebruikelijke hulp verwacht indien er een direct verband is tussen de (dreiging van) overbelasting van de ouder(s) en de zorg die de ouder(s) aan de jeugdige biedt waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen onvoldoende zijn om de overbelasting op te heffen.