Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.7

Artikel 4.7.2

Afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023

Wanneer een cliënt beperkingen ervaart en in overwegende mate en langdurig niet kan deelnemen aan het leven van alledag, kan een vervoersvoorziening die sociale participatie bewerkstelligt verstrekt worden. Een verstrekking hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van cliënt. Bij het bepalen van het te bereiken resultaat gaat het er bij maatschappelijke participatie niet om hoe vaak een cliënt een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. Het uitgangspunt hierbij is dat de cliënt kan deelnemen aan het "leven van alledag" en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten kan onderhouden. Daarnaast is het van belang hoe de cliënt zich tot nu toe heeft gered, al dan niet met behulp van anderen. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met: de beperkingen van de cliënt; de individuele vervoersbehoefte van de cliënt; de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in de vervoersbehoefte van de cliënt te voorzien. De beperkingen Onderzocht wordt welke beperkingen de cliënt ondervindt en of deze beperkingen aanleiding zijn voor het vervoersprobleem dat de cliënt ervaart. Uitsluitend aantoonbare beperkingen in relatie tot de individuele vervoersbehoefte van de cliënt met beperkingen zijn bepalend voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Vaststellen vervoersbehoefte Bij het vaststellen van de vervoersbehoefte van de cliënt wordt gekeken naar de vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo 2015 valt, anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst passende en meest proportionele voorziening is. Om de beperkingen en vervoersbehoefte van de cliënt inzichtelijk te maken wordt hierbij onderscheid gemaakt in drie verschillende afstanden: de korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving; de middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio; de lange afstanden: naar bestemmingen buiten de regio. Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een cliënt en diens verplaatsingsgedrag: kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte. De vervoersbehoefte zal in de regel niet dusdanig afwijkend zijn van die van niet-beperkte leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor een vervoersvoorziening; kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben een beperkte individuele vervoersbehoefte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (verplaatsingen naast het reguliere woon-schoolverkeer, waarin wordt voorzien vanuit het leerlingenvervoer); bij kinderen van 12 jaar en ouder spelen verplaatsingen zich veelal af binnen de mogelijkheden van de fietsafstand of openbaar vervoer (verplaatsingen naast het reguliere woon-schoolverkeer, waarin wordt voorzien vanuit het leerlingenvervoer). Gebruikelijke en voorliggende oplossingen Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen zal het college eerst alle mogelijke alternatieven beoordelen. Immers, een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als hij volgens het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of een voorziening op grond van een andere wet, in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende oplossingen, zoals: het gewone openbaar vervoer (OV) of de buurtbus; meerijden met huisgenoten, familie, vrienden, mantelzorgers en/of vrijwilligers; fiets met lage instap en/of hulpmotor; elektrische (bak)fiets; (elektrische) Tandem; vervoer vanuit de dagbesteding/begeleiding groep; vervoer vanuit beschut werk; vervoer vanuit de zorgverzekeraar in verband met medisch vervoer (onder andere bij nierdialyse in een instelling en oncologische behandelingen); leerlingenvervoer voor het vervoer naar en van school; het UWV of de werkgever voor het vervoer in verband met het woon-werk verkeer. Als bovenstaande oplossingen niet adequaat zijn kan het college een vervoersvoorziening inzetten.

Rechtspraak bij dit artikel