Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III. › Paragraaf

Artikel 7.

Artikel 7.

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant

1.. Het Algemeen Bestuur bestaat uit leden die door de colleges van burgemeester en wethouders uit hun midden worden aangewezen. De colleges van burgemeester en wethouders wijzen elk één lid van het Algemeen Bestuur aan. 2.. De colleges van burgemeester en wethouders wijzen uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, tevens één plaatsvervangend lid aan. 3.. De zittingsperiode van het Algemeen Bestuur is gelijk aan die van de raden. Indien de leden hun kwaliteit om aangewezen te worden behouden, blijven zij na periodieke aftreding hun functie als lid van het Algemeen Bestuur waarnemen, totdat het college van burgemeester en wethouders is overgegaan tot aanwijzing van een lid voor de nieuwe zittingsperiode. 4.. De colleges van burgemeester en wethouders besluiten zo mogelijk in de eerste vergadering van elke zittingsperiode tot de aanwijzing van het lid en het plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur. 5.. De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij dienen dat schriftelijk in bij de voorzitter van het college van burgemeester en wethouders, die hen heeft aangewezen. Indien zij hun kwaliteit om aangewezen te worden behouden, blijven zij hun functie als lid van het Algemeen Bestuur waarnemen, totdat in hun opvolging is voorzien. 6.. In tussentijdse vacatures wordt door het college van burgemeester en wethouders die het aangaat, zo mogelijk in zijn eerstvolgende vergadering voorzien. 7.. De colleges van burgemeester en wethouders doen binnen acht dagen aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur mededeling van het ontstaan van tussentijdse vacatures en van de aanwijzing van een nieuw lid, ter voorziening in die vacatures.

Rechtspraak bij dit artikel