Tot begraven of cremeren wordt niet eerder overgegaan dan nadat het verlof tot begraven en het registratiedocument behorende bij het omhulsel van de overledene zijn overgelegd aan de beheerder. Het registratiedocument bevat een registratienummer dat overeenkomt met het nummer op het omhulsel van de overledene, de naam van de overledene, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel het geslacht van de doodgeborene.
Indien de begraving of de bezorging van as in een bestaand particulier graf zal plaatsvinden, dient vooraf een machtiging tot het openen van het graf en het plaatsen van de asbus aan de beheerder te worden overlegd, ondertekend door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door de nieuwe rechthebbende.
Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende.
De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op gehele jaren, gerekend vanaf de eerste begraving.
Indien de burgemeester verlof heeft verleend om een overledene binnen 36 uur na het overlijden te begraven of uitstel heeft verleend voor begraving binnen 6 werkdagen, dient het bedoelde verlof van de burgemeester worden overlegd.
De beheerder onderzoekt of de overgelegde stukken toereikend zijn en geeft pas toestemming tot begraven indien deze in orde zijn.
Hoofdstuk 3
Artikel 10