Het (graf-)recht vervalt:
door het verlopen van de termijn waarvoor het recht is verleend;
indien de rechthebbende afstand doet van het recht;
indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving van het recht niet wordt gedaan binnen de in artikel 19, lid 2 genoemde termijn van zes maanden na het overlijden van de rechthebbende;
indien (een deel van) de begraafplaats wordt opgeheven.
Het college kan de (graf-)rechten vervallen verklaren:
indien de betaling van het (graf-)recht ̶ ondanks een aanmaning ̶ niet binnen zes maanden na aanvang van die termijn is geschied;
indien de rechthebbende ̶̶ ̶ ondanks een aanmaning ̶ in verzuim blijft een op grond van deze verordening op hem rustende verplichting na te komen of daarmee in strijd handelt;
indien de rechthebbende – ondanks een aanmaning ̶ niet binnen een jaar overgaat tot herstel van een graf of gedenkplaats dat in verval is.
Onder in verval zijnde graven en gedenkplaatsen wordt verstaan:
breuk van het monument;
een verzakking van het monument van meer dan 10 cm ten opzichte van het maaiveld;
het onleesbaar afgesleten zijn van teksten;
beplanting buiten de toegestane afmetingen (groeiend boven de toegestane hoogte en buiten de grafafmeting);
omgevallen monumenten, dan wel monumenten die (deels) beschadigd zijn geraakt;
graven die een risico vormen voor de veiligheid van medewerkers en bezoekers van de begraafplaats, zoals ondeugdelijke constructies volgens huidige richtlijnen.
In de gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d en in het tweede lid vindt geen terugbetaling plaats van (een deel van) de betaalde rechten.
Hoofdstuk 4
Artikel 20