Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.3.

Artikel 4.3.6

Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen

Onderdeel van Verordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Hoeksche Waard

1.. Het college verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 10% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag, verder te noemen categorie 1: Het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in art. 44a PW; Het niet voldoende meewerken aan de oproep of het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de PW; Het niet voldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie als bedoeld in art. 9 lid 1c PW; Verwijtbaar geen gehoor geven aan een uitnodiging in het kader van de re-integratie in het arbeidsproces; Bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening die de kans op werk kan vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a lid 1 PW. Het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, lid 4, van de PW. 2.. Het college verlaagt de uitkering PW een maand met 20% van de uitkeringsnorm, verder te noemen categorie 2: De inwoner niet, naar vermogen, probeert om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, lid 4 van de PW; De inwoner de medewerkingsplicht niet of onvoldoende nakomt als bedoeld in artikel 17, lid 2 van de PW; De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken over, van, voor arbeidsinschakeling als bedoeld in art. 55 PW en de gevolgen van deze afspraken niet tot vermindering van bijstand of beëindiging zouden leiden; De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken verbonden aan het ontvangen van een uitkering als bedoeld in art. 55 PW en de gevolgen van deze afspraken niet tot vermindering van bijstand of beëindiging zouden leiden. 3.. Het college verlaagt de uitkering PW een maand met 40% van de uitkeringsnorm, verder te noemen categorie 3: De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken over, van, voor arbeidsinschakeling die leiden tot vermindering of beëindiging van de uitkering als bedoeld in art. 55 PW. De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken die leiden tot vermindering of beëindiging van de uitkering als bedoeld in art. 55 Participatiewet. 4.. Het college verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsgrondslag, voor het volgende gedrag: Het niet voldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening; Het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; Het niet voldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie; Bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening die de kans op werk kan vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW. 5.. Het college verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 40% van de uitkeringsgrondslag, voor het volgende gedrag: Het niet voldoende proberen werk te vinden; Het niet aannemen van aangeboden werk; 6.. Als het college de IOAW- of IOAZ-uitkering, gelet op artikel 20 IOAW/IOAZ, tijdelijk of blijvend kan weigeren omdat de inwoner verwijtbaar werkloos is, wordt de uitkering niet met toepassing van lid 5 verlaagd, maar blijvend geweigerd. De uitkering wordt dan geweigerd naar de mate waarin de inwoner inkomen zou hebben kunnen ontvangen als hij niet verwijtbaar werkloos was geworden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel