**1..** Bij de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen van de maand waarin de aanvraag is ingediend, tenzij sprake is van wisselende inkomsten.
**2..** Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de drie maanden voorafgaande aan de maand waarin de aanvraag is ingediend. Indien nodig (bij zeer sterk wisselende inkomsten) wordt deze periode verlengd tot twaalf maanden.
**3..** Bij de berekening van het inkomen wordt het volgende vrijgelaten:
de particuliere oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet;
de ten laste van belanghebbende blijvende kosten van verpleging of verzorging in een inrichting.
Het Individueel Keuze Budget en de eindejaarsuitkering (of 13e maand).
**4..** Als sprake is van een Wlz-geïndiceerde opname en terug ontvangst van een voedings- of andersoortig budget, omdat de belanghebbende zelf boodschappen doet, kookt of anderszins, dan wordt dit bedrag of budget niet als middel gezien en dus vrijgelaten.
**5..** Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand wordt bij een inwoner met een Wajong-uitkering én inkomsten uit arbeid, 25% van deze inkomsten meegenomen als middel.
**6..** Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand wordt bij een inwoner met een WW-uitkering én inkomsten uit arbeid, 12,5% van deze inkomsten meegenomen als middel.
**7..** Het vrij te laten inkomen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de Participatiewet, artikelen 8 van de IOAW en IOAZ, wordt alleen in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening voor zover dat inkomensbestanddeel gelet op zijn aard bedoeld is om in de betreffende noodzakelijke kosten te voorzien.
**8..** Spaargelden opgebouwd tijdens de (bijzondere) bijstandsverlening worden in een vastgestelde draagkrachtperiode niet bij het vermogen opgeteld.