Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Beëindiging van het leefgeld

Onderdeel van Beleidsregels leefgeld ontheemden Oekraïne gemeente Albrandswaard

1.. Het leefgeld wordt beëindigd voor het gehele gezin indien ten minste één van de meerderjarige gezinsleden inkomsten uit arbeid of uitkering verkrijgt. 2.. Indien een minderjarig kind inkomsten uit arbeid ontvangt wordt enkel het leefgeld voor dit kind beëindigd. 3.. Het leefgeld wordt beëindigd indien het gezin langer dan 28 dagen niet in de opvangvoorziening is verschenen. Deze termijn gaat vanaf de dag van constatering dat iemand afwezig is. 4.. Indien één of enkele personen van het gezin vertrekken of langer dan 28 dagen niet in de opvangvoorziening zijn verschenen wordt de hoogte van het leefgeld aangepast naar de situatie van het gezin dat nog wel op het woonadres verblijft. 5.. De beëindiging gaat in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin van één of meer van de bovengenoemde omstandigheden is gebleken. [Artikel 7 lid 3 en lid 4 treden in werking met terugtredende kracht tot 1 december 2022.] Toelichting Vanaf 1 februari 2023 geldt de regel dat het leefgeld voor het gehele gezin stopt wanneer ten minste één van de meerderjarige gezinsleden gaat werken of een uitkering ontvangt (waarbij in eerste instantie te denken is aan een WW- of ZW-uitkering). Wanneer een minderjarig kind gaat werken (dit kan b.v. ook een krantenwijkje zijn), dan eindigt enkel het leefgeld voor dit kind. De rest van het gezin blijft leefgeld ontvangen. De hoogte van het leefgeld voor dit gezin wordt berekend naar de gezinsgrootte zonder dit kind. Een gezin heeft recht op leefgeld in de gemeente waar het verblijft. Bij een vertrek uit de gemeente houdt dan ook het leefgeld op voor die gemeente. De Regeling suggereert een maximum van 28 dagen alvorens te besluiten dat de belanghebbende niet meer in de gemeente verblijft. Het is niet altijd of vanzelfsprekend duidelijk vanaf welke datum een belanghebbende of het gezin voor het laatst op de opvangvoorziening aanwezig was. Er worden geen dagelijkse presentielijsten bijgehouden. Daarom kan het zijn, dat b.v. een beheerder pas na enkele dagen merkt dat hij het gezin al een tijdje niet meer heeft gezien. Mogelijk weet de beheerder niet met zekerheid op welke datum hij het gezin voor het laatst heeft gezien. En dan nog, als hij het weet, dan wil dat niet zeggen dat dat ook de laatste dag van aanwezigheid is. Daarom wordt gesteld, dat de termijn van 28 dagen aanvangt vanaf de dag van constatering van afwezigheid.

Rechtspraak bij dit artikel