Bij een melding van een mogelijke integriteitsschending door een raadslid of een wethouder beoordeelt de burgemeester of er sprake is een onderzoek waardige melding. Dit is het geval indien:
de melding een vermoedelijke schending van de gedragscode en/of wetgeving betreft, van een zekere ernst;
de melding voldoende betrouwbaar en concreet is;
de melding in redelijkheid onderzoekbaar is (dat wil zeggen: er zijn voldoende onderzoeksmogelijkheden).
Ook burgers, bedrijven of instanties kunnen twijfelen over het handelen van een politieke ambtsdrager. Als zij daarvan melding doen via de gemeentelijke klachtenprocedure of rechtstreeks bij de burgemeester, treedt fase 2 van de Procesafspraken Integriteit in werking. De melder speelt in het traject verder geen rol; wel wordt hij geïnformeerd over wat er met de melding is gedaan. Ambtenaren die een melding over een politieke ambtsdrager overwegen, informeren de gemeentesecretaris voordat zij zich tot de burgemeester wenden.
Om de onderzoek waardigheid te kunnen bepalen vindt altijd een gesprek met de melder plaats. Daarnaast kan het vooronderzoek onder meer bestaan uit:
het in kaart brengen van de feitelijke situatie;
het checken van de beschikbaarheid van (administratieve) informatie;
het nalopen van relevante wet- en regelgeving.
Ook een gesprek met degene op wie de melding betrekking heeft, kan deel uitmaken van het vooronderzoek. Een dergelijk gesprek vindt niet plaats indien de vermoedelijke schending ernstig is en een eventueel vervolgonderzoek in gevaar kan komen als de betrokkene in dit stadium op de hoogte wordt gesteld.
De burgemeester is eindverantwoordelijk voor het vooronderzoek. In de regel zal hij/zij ervoor kiezen zich te laten ondersteunen door een adviesgroep met specialisten die concrete taken uitvoeren. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld behoren:
integriteitscoördinator, senior jurist, bestuursadviseur;
externe deskundigen.
Adviezen van ondersteuners aan de burgemeester worden bij voorkeur op schrift gesteld. Op basis hiervan brengt de burgemeester advies uit. Er zij vier mogelijke scenario’s te onderscheiden:
De burgemeester concludeert dat er geen grond is voor de verdenking dan wel dat de melding een kleinigheid betreft, onvoldoende betrouwbaar en concreet is en/of niet in redelijkheid onderzoekbaar is. De burgemeester informeert de melder hierover en, indien dat gepast is, ook degene op wie de melding betrekking had.
Degene die onder verdenking is komen te staan erkent een schending te hebben begaan, de feiten zijn voldoende bekend en er is geen verder onderzoek nodig (zie Fase 3).
De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking en dat de melding ook anderszins onderzoek waardig is, maar er is geen sprake van erkenning door de betrokkene. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.1).
De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking, het vermoeden betreft een ernstige schending en het risico bestaat dat het informeren van de betrokkene het onderzoeksbelang zou schaden. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek zonder de betrokkene daar bij aanvang van op de hoogte te stellen (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.1).
Blijkt uit het vooronderzoek dat er sprake kan zijn van een strafbaar feit, dan kan de burgemeester hiervan aangifte doen bij de politie. Gaat het om een redelijk vermoeden van een ambtsmisdrijf, dan is de burgemeester hiertoe verplicht.
Fase 2
Artikel 1.1
Betreft: handelen van een raadslid of een wethouder
Onderdeel van Procesafspraken over de handhaving van de integriteit van het gemeentebestuur